Les 2 - uitleg voorzetsel voorwerp // kww en nwg

Vandaag 20 mei
  • Uitleg voorzetsel voorwerp
  • Oefen opdracht
  • Uitleg  koppelwerkwoord (kww) en naamwoordelijk gezegde (nwg)
  • Zelf aan de slag
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Vandaag 20 mei
  • Uitleg voorzetsel voorwerp
  • Oefen opdracht
  • Uitleg  koppelwerkwoord (kww) en naamwoordelijk gezegde (nwg)
  • Zelf aan de slag

Slide 1 - Tekstslide

Uitleg voorzetsel voorwerp
Wanneer een werkwoord vast verbonden is met een voorzetsel is er sprake van een voorzetselvoorwerp (vzv).

  • wachten op
  • denken aan
  • spelen met
  • herinneren aan


Slide 2 - Tekstslide

Uitleg voorzetsel voorwerp
wachten op
  • Hij wacht op zijn oude en lieve oma. (vzv)

denken aan
  • Zij denkt aan de mooie aantrekkelijke jongen. (vzv)




Slide 3 - Tekstslide

Uitleg voorzetsel voorwerp
Bijvoorbeeld wachten op het perron. 

Hier is op het perron geen voorzetselvoorwerp.
Het is geen voorzetselvoorwerp, omdat het over een plek gaat. Je kunt ook wachten naast het perron, achter het perron of boven het perron.




Slide 4 - Tekstslide

Hij speelt graag met Lego.
Voorzetsel-
voorwerp
Onderwerp
Gezegde
Bijwoordelijke 
bepaling
Hij
speelt
graag
met Lego

Slide 5 - Sleepvraag

Op het besluit van de commissie wilde de woordvoerder niet vooruitlopen. 
Voorzetsel-
voorwerp
Onderwerp
Gezegde
Bijwoordelijke 
bepaling
de 
woordvoerder
wilde vooruitlopen
Niet
op het besluit
van de commissie

Slide 6 - Sleepvraag

Volgens de Citotoets is hij geschikt voor het atheneum.
Voorzetsel-
voorwerp
Onderwerp
Gezegde
Bijwoordelijke 
bepaling
Volgens de Citotoets
is geschikt
hij
voor het atheneum

Slide 7 - Sleepvraag

In het rijtje hiernaast staan zinnetjes die een tweejarige peuter zou kunnen uitspreken.
Een peuter spreekt nog niet zo goed Nederlands, maar er zit wel een duidelijke betekenis in de zinnetjes.

Bedenk wat de uitingen in het hoofd van de peuter kunnen betekenen.
mama lief
papa slapen
popje stout
meloen vies
oma breien
tante zingen
broertje boos
treintje rijden
auto rood
Tommie lachen
hondje blaffen
snoepje lekker
tafel hard

Slide 8 - Tekstslide

Welke zinnen passen qua betekenis bij 'mama lief'?
Sleep ze naar het groene vlak.

papa slapen
popje stout
meloen vies

Slide 9 - Sleepvraag

Welke zinnen passen qua betekenis bij 'auto rood'? Sleep ze naar het groene vlak.

Tommie lachen
snoepje lekker
hondje blaffen
tafel hard

Slide 10 - Sleepvraag

Welke zinnen passen qua betekenis bij 'oma breien'? Sleep ze naar het groene vlak.

tante zingen
broertje boos
treintje rijden

Slide 11 - Sleepvraag

Nu je deze drie vragen hebt beantwoord en de antwoorden hebt gezien, in welke twee groepen kun je de zinnetjes indelen?

Slide 12 - Open vraag

Welke van de onderstaande werkwoorden drukken uit dat het onderwerp iets 'is'? Oftewel, welke zijn koppelwerkwoorden?
A
worden
B
lijken
C
fietsen
D
praten

Slide 13 - Quizvraag

Koppelwerkwoorden
(het onderwerp IS iets)

zijn
worden
blijven
blijken
lijken
schijnen
heten
dunken
voorkomen

(Deze 9 werkwoorden, zijn de enige kww die er zijn. Leer ze uit je hoofd!)
Zelfstandige werkwoorden
(het onderwerp DOET iets)

fietsen
lachen
praten
hangen
kopen
ademen
openen
publiceren
(en zo zijn er nog honderden meer.)

Slide 14 - Tekstslide

Is het werkwoord in de zin een koppelwerkwoord of zelfstandig werkwoord?


Bewaakte Jan vorige week de schat?
A
koppelwerkwoord
B
zelfstandig werkwoord

Slide 15 - Quizvraag

Is het werkwoord in de zin een koppelwerkwoord of zelfstandig werkwoord?


Gaat Piet morgen op pad?
A
koppelwerkwoord
B
zelfstandig werkwoord

Slide 16 - Quizvraag

Is het werkwoord in de zin een koppelwerkwoord of zelfstandig werkwoord?

Mijn buurvrouw wordt morgen 43.
A
koppelwerkwoord
B
zelfstandig werkwoord

Slide 17 - Quizvraag

Je hebt vorig jaar ook over het hulpwerkwoord geleerd. Welk werkwoord uit onderstaande zin is een hulpwerkwoord?

Jan heeft vanmiddag een vaccin gekregen.
A
heeft
B
gekregen

Slide 18 - Quizvraag

En wat voor soort werkwoord is 'gekregen' dan?

Jan heeft vanmiddag een vaccin gekregen.
A
hulpwerkwoord
B
koppelwerkwoord
C
zelfstandig werkwoord

Slide 19 - Quizvraag

Je hebt dus 3 soorten werkwoorden
1. koppelwerkwoorden
2. zelfstandige werkwoorden
3. hulpwerkwoorden

Slide 20 - Tekstslide

Samenvattend
- Bevat een zin een kww? Dan heeft het een naamwoordelijk gezegde.

- Bevat een zin een zww? Dan heeft het een werkwoordelijk gezegde.


Slide 21 - Tekstslide

Zelf aan de slag
2 havo
Maak alle opdrachten van H1 grammatica voorzetsel voorwerp in jouw leerroute.

2 atheneum
Maak alle opdrachten van H2 grammatica voorzetsel voorwerp in jouw leerroute.

Slide 22 - Tekstslide

Huiswerk voor di 24 mei
2 havo
De Brug + H1 grammatica voorzetsel voorwerp af.

2 atheneum
De Brug opdr. 1, 2, 3, 4 en 6.1, 6.3, 6.4, 6.5 blz. 257-261+ H2 grammatica voorzetsel voorwerp af.

Slide 23 - Tekstslide

Naamwoordelijk gezegde
Vrijdag hebben we het gehad over het naamwoordelijk gezegde. Toen hebben we het verschil tussen de drie werkwoorden uitgelegd en het verband met het naamwoordelijk gezegde behandeld. In deze video wordt de theorie herhaalt en tussendoor krijg je vragen.

Kijk het filmpje, beantwoord de vragen en ga daarna aan de slag met de opdrachten.

Slide 24 - Tekstslide

3

Slide 25 - Video

01:08
Welk werkwoord is het belangrijkste? hebben of gesport?
A
hebben
B
gesport

Slide 26 - Quizvraag

02:21
Wat is het werkwoordelijk gezegde in de zin:

Ik zou dat gedaan hebben.
A
zou hebben
B
Ik heb gedaan
C
zou gedaan
D
zou hebben gedaan

Slide 27 - Quizvraag

03:36
Welk werkwoord is het koppelwerkwoord in de zin:

Mijn vriendin zou psycholoog willen worden?
A
zou
B
willen
C
worden

Slide 28 - Quizvraag

Bij een koppelwerkwoord hoort het ... gezegde.
A
naamwoordelijk
B
werkwoordelijk

Slide 29 - Quizvraag

Hoe goed herken jij een naamwoordelijk gezegde in de zin?
0100

Slide 30 - Poll

Zelf aan de slag
2 havo
Maak alle opdrachten van H3 grammatica wwg of nwg in jouw leerroute.

2 atheneum
Maak de stencils die je van meneer uitgedeeld krijgt in je schrift.

Slide 31 - Tekstslide