Les 6: KA 17 Het begin van staatsvorming en centralisatie

Hoofdstuk 4 Steden en Staten
les 6. Ka 17: Het begin van staatsvorming en centralisatie
1 / 47
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

In deze les zitten 47 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 4 Steden en Staten
les 6. Ka 17: Het begin van staatsvorming en centralisatie

Slide 1 - Tekstslide

WELKOM!
1. Intro.
2. Ontwikkeling van de macht van de koningen in de late middeleeuwen
3. centralisatie
4. 3 voorbeelden van staatsvorming en centralisatie
3. Aan het werk!

Slide 2 - Tekstslide

Lesdoelen:
Aan het eind van de les kan je in je:
- in eigen woorden uitleggen waarom de koning van het feodalisme af zou willen en wat de invloed was van de geldeconomie.
- minimaal twee kenmerken noemen van een laat middeleeuwse centraal bestuurde staat. 
-uitleggen hoe de geldeconomie het leven van verschillende standen veranderden.
- een succesverhaal en een mislukking in de centralisatiepolitiek benoemen.


Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Welke elementen horen bij staatsvorming? Wat zie je vooral en overal terug?
  • - een hoofdstad
  • - overal geldige wetten
  • - overal belasting heffen
  • - een parlement
  • - afspraken met de edelen of goede relatie met de edelen
  • - centrale rechtbank
  • - ambtenaren 
  • - huursoldaten 

Slide 16 - Tekstslide

Break out rooms
Break out room 1 succes centralisatie
Break out room 2 mislukking centralisatie
Break out room 3 Wat was de rol van Nederland ierin

Slide 17 - Tekstslide

een succesverhaal en een mislukking in de centralisatiepolitiek benoemen.
wat is een succes, wat is een mislukking?

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Magna Carta

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Als eind vijftiende eeuw een prinses op vijftienjarige leeftijd een barre zeetocht maakt om in een gearrangeerd huwelijk te treden met een prins die ze dan voor het eerst ontmoet, is het vreemd dat ze dan wat onevenwichtig lijkt? Wanneer ze toch dolverliefd wordt op de prins, kort achtereen zes kinderen baart, maar intussen merkt dat haar echtgenoot haar keer op keer ontrouw is, kunnen we haar woede-uitbarstingen dan begrijpen? Als ze zijn vroegtijdige dood niet kan accepteren en langdurig blijft rouwen, is zij dan verdwaasd? Wanneer ze zich niet neerlegt bij de door haar vader en oudste zoon bekokstoofde uitschakeling uit het openbare leven, is zij dan gek? En als ze na jarenlange gedwongen eenzaamheid alle belangstelling voor de buitenwereld verliest en zichzelf verwaarloost, is ze dan waanzinnig?

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

De Nederlanden 

Slide 29 - Tekstslide

1430
  • Meeste Nederlandse gewesten onder 1 vorst
  • Filips van Bourgondie (of Filips de Goede)
  • Begint met instellen centraal bestuur
  • Hoofdstad Brussel
  • In Gelderland centrale rechtbank
  • Door huwelijk daarna deel van Habsburgse rijk (Spanje)

Slide 30 - Tekstslide

Lesdoelen:
Aan het eind van de les kan je in je in eigen woorden uitleggen waarom de koning van het feodalisme af zou willen en wat de invloed was van de geldeconomie.
Aan het eind van de les kan je minimaal twee kenmerken noemen van een laat middeleeuwse centraal bestuurde staat.
Aan het eind van de les kan je uitleggen hoe de geldeconomie het leven van verschillende standen veranderden.
Aan het eind van de les kan je een succesverhaal en een mislukking in de centralisatiepolitiek  noemen.


Slide 31 - Tekstslide

deel 2
 Woordwiel
doel:
wat hoort bij elkaar en wat staat tegenover elkaar, kijkend naar staatsvorming en centralisatie.
Je ziet hier woordwielen die gevuld moeten worden met begrippen. De begrippen hebben een onderlinge samenhang die in het wiel tot uitdrukking moet komen. Sommige begrippen overlappen elkaar en gaan deels over dezelfde inhoud, ze hebben inhoudelijke samenhang. Dat verband moet je kunnen uitleggen. Andere begrippen zijn elkaars tegengestelde; ook die relatie moet je kunnen toelichten.

Slide 32 - Tekstslide

Binnencirkel:
 adel 

belasting
 
 Staten-Generaal 

vorst

Slide 33 - Tekstslide

toelichting
 Schrijf in de toelichting waarom je begrippen naast elkaar, tegenover elkaar of elkaar ‘over- lappend’ hebt gezet: 
wat is de relatie tussen de begrippen?

Slide 34 - Tekstslide

conclusie/evaluatie
  • Het.
  • klopt. 
  • nooit. 
  • volledig.
  • ......

Slide 35 - Tekstslide

 aan het werk
lezen en leren t/m blz 52
maken: 17.6 t/m 17.10

Slide 36 - Tekstslide

17.1

Slide 37 - Open vraag

17.2

Slide 38 - Open vraag

17.3

Slide 39 - Open vraag

17.4

Slide 40 - Open vraag

17.5

Slide 41 - Open vraag

17.6

Slide 42 - Open vraag

17.7

Slide 43 - Open vraag

17.8

Slide 44 - Open vraag

17.9

Slide 45 - Open vraag

17.10

Slide 46 - Open vraag

Stelling

Slide 47 - Open vraag