3T MAANDAG 6 APR. 2020 OOA

3T MAANDAG 6 APRIL OOA
DE VORIGE LES HEB JE GEWERKT AAN GRAMMATICA: DE WOORDSOORTEN.
VOOR DEZE LES MOEST JE HIERBIJ EEN OPDRACHT IN TEAMS MAKEN. 
JE HEBT DEZE OPDRACHT TERUGGEKREGEN, LAAT HET ME WETEN ALS JE NOG VRAGEN OVER EVT. FOUTEN!
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
neMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 23 slides, met tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

3T MAANDAG 6 APRIL OOA
DE VORIGE LES HEB JE GEWERKT AAN GRAMMATICA: DE WOORDSOORTEN.
VOOR DEZE LES MOEST JE HIERBIJ EEN OPDRACHT IN TEAMS MAKEN. 
JE HEBT DEZE OPDRACHT TERUGGEKREGEN, LAAT HET ME WETEN ALS JE NOG VRAGEN OVER EVT. FOUTEN!

Slide 1 - Tekstslide

Grammatica 6.2
Aan het einde van de les kun je in de zin alle ZINSDELEN benoemen.

Slide 2 - Tekstslide

Wat heb je nodig?
- Boek op blz. 228;
- Materialen uit Magister bij deze les;
- De inleveropdracht bij Microsoft Teams.

Nu: herhaling zinsdelen!

Slide 3 - Tekstslide

Grammatica

Woordsoorten
Je benoemt ieder woord
Grammatica

Zinnen ontleden
Je benoemt de zinsdelen

Slide 4 - Tekstslide

Grammatica

Woordsoorten
Je benoemt ieder woord
Grammatica

Zinnen ontleden
Je benoemt de zinsdelen

Slide 5 - Tekstslide

de zinsdelen
JE MOET DE VOLGENDE STAPPEN ZETTEN OM EEN ZIN TE ONTLEDEN:
1. ZOEK DE PV 
     * de PV vind je door de ja/nee-vraag te stellen of de tijdproef te             doen -> zet een streep onder, voor en na de PV, alles vóór de PV
       is één zinsdeel!
2. ZET ZINSDEELSTREPEN
     * gebruik hiervoor de zinsdeelproef -> alles wat voor de PV kan staan,
       is één zinsdeel.

Slide 6 - Tekstslide

vervolg: de zinsdelen
3. ZOEK HET GEZEGDE: let op -> dit kan zijn:
     * een WERKWOORDELIJK GEZEGDE (WG)
     * een NAAMWOORDELIJK GEZEGDE (NG)
             
       OP DE VOLGENDE PAGINA WORDT UITGELEGD WANNEER JE               TE MAKEN HEBT MET EEN WG EN WANNEER MET EEN NG!
 

Slide 7 - Tekstslide

WG of NG?
Wanneer heb je te maken met een WG, wanneer met een NG?
LET OP: kijk daarvoor naar het belangrijkste (= laatste) ww in de zin.
Is dit GEEN koppelwerkwoord, dan heb je te maken met een WERKWOORDELIJK GEZEGDE (WG).

LET OP: is het laatste ww wèl een koppelwerkwoord èn wordt er extra informatie over het O gegeven? Dan heb je te maken met een NAAMWOORDELIJK GEZEGDE (NG).
    
 
de 9 koppelwerkwoorden!
zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen

Slide 8 - Tekstslide

HOE NU VERDER MET HET NG?
Een NAAMWOORDELIJK GEZEGDE moet in ieder geval bestaan uit twee delen:
1. een werkwoordelijk deel (ww-deel) met een koppelwerkwoord;
2. een naamwoordelijk deel (nw-deel) met als belangrijkste woord een zelfstandig of bijvoeglijk NAAMWOORD (dit is dus ook de reden dat het een NAAMWOORDELIJK gezegde heet!).

Slide 9 - Tekstslide

1e MANIER OM TE ZIEN OF HET EEN NG IS:
STEL DE VOLGENDE VRAGEN:
* Staat in de zin een vorm van een koppelwerkwoord?
* Zegt het naamwoordelijk deel iets over het onderwerp?

Als je beide vragen met JA kunt beantwoorden, heb je te maken met een NAAMWOORDELIJK GEZEGDE. In alle andere gevallen staat er een WERKWOORDELIJK GEZEGDE in de zin.

Slide 10 - Tekstslide

2e MANIER OM TE ZIEN OF HET EEN NG IS:
GEBRUIK DE NG-PROEF:
* vervang het koppelwerkwoord door een ander koppelwerkwoord
* vervang het naamwoordelijk deel door een andere eigenschap of ander kenmerk van het onderwerp
Als dit lukt, heb je te maken met een NG!
Bijv.: De bakker is altijd erg behulpzaam.
* De bakker blijft altijd erg behulpzaam.
* De bakker is altijd erg ondeugend.
DUS:
       O        NG   BWB           ND
De bakker / is / altijd / erg behulpzaam.

Slide 11 - Tekstslide

LET OP!
Een naamwoordelijk deel van een gezegde kan veel lijken op een lijdend voorwerp. Maar in een zin met een naamwoordelijk gezegde staat NOOIT een lijdend voorwerp!
       O        NG              ND
Bijv.: Pom / was / de kleuterleidster.
            O       WG            LV
          Pom / riep / de kleuterleidster.

Slide 12 - Tekstslide

HOE NU VERDER MET DE ZINSDELEN? WG
HEEFT JE ZIN EEN WERKWOORDELIJK GEZEGDE? ZET DAN DE VOLGENDE STAPPEN:
4. ZOEK HET ONDERWERP
      * het O ontdek je door de vraag te stellen: WIE/WAT + WG?
                 

Slide 13 - Tekstslide

HOE NU VERDER MET DE ZINSDELEN? WG
5. ZOEK HET LIJDEND VOORWERP
      * het LV ontdek je door de vraag te stellen: WIE/WAT + WG + O?
         -> het LV staat bij werkwoorden waar je iets of iemand voor kunt                zetten
        -> niet elke zin heeft een LV
        -> een LV begint nooit met een voorzetsel

Slide 14 - Tekstslide

6. ZOEK HET MEEWERKEND VOORWERP 
     * het MV ontdek je door de vraag te stellen: AAN/VOOR WIE/WAT + 
       WG + O + LV?
        -> niet elke zin heeft een MV!
        -> een trucje om te checken of je te maken hebt met een MV:                  staat aan of voor in de zin, dan moet je het weg kunnen laten, 
            staat het er niet in, dan moet je het ervoor kunnen zetten!

Slide 15 - Tekstslide

7. ZOEK DE BIJWOORDELIJKE BEPALING(EN) 
     * de zinsdelen die overblijven, zijn BWB's.
        -> een BWB geeft antwoord op vragen als: waar, wanneer, hoe,      
            hoeveel, waarom enz. 
        -> in één zin kunnen meerdere BWB's staan! 

Slide 16 - Tekstslide

HOE NU VERDER MET DE ZINSDELEN? NG
HEEFT JE ZIN EEN NAAMWOORDELIJK GEZEGDE? ZET DAN DE VOLGENDE STAPPEN:
4. ZOEK HET ONDERWERP
      * het O ontdek je door de vraag te stellen: WIE/WAT + WG?

LET NOG EVEN GOED OP: een NG heeft GEEN  LV, dus je gaat nu op zoekl naar het MV.
                    

Slide 17 - Tekstslide

5. ZOEK HET MEEWERKEND VOORWERP 
     * het MV ontdek je door de vraag te stellen: AAN/VOOR WIE/WAT + 
      WG + O + LV?
        -> niet elke zin heeft een MV!
        -> een trucje om te checken of je te maken hebt met een MV:                  staat aan of voor in de zin, dan moet je het weg kunnen laten, 
            staat het er niet in, dan moet je het ervoor kunnen zetten!

Slide 18 - Tekstslide

6. ZOEK DE BIJWOORDELIJKE BEPALING(EN) 
     * de zinsdelen die overblijven, zijn BWB's.
        -> een BWB geeft antwoord op vragen als: waar, wanneer, hoe, 
            hoeveel, waarom enz. 
        -> in één zin kunnen meerdere BWB's staan! 

Slide 19 - Tekstslide

ALS LAATSTE...
ENKELVOUDIGE EN SAMENGESTELDE ZINNEN!
Enkelvoudige zinnen ontleed je gewoon zoals je altijd gedaan hebt.
Bij samengestelde zinnen ontleed je de twee zinnen die aan elkaar zijn geplakt los van elkaar:
   O        WG       LV                       O         WG        BWB
Guus / speelt / voetbal, // maar // Puck / hockeyt / liever.

Slide 20 - Tekstslide

Aan de slag
- Vind je het NG nog lastig? Bekijk dan nog eens het 
  volgende filmpje.
- Maak opdracht 5-6-7 van Grammatica 6.2 (blz. 228, zie     
  ook zinnen in bijlage Magister);
- Kijk de opdrachten na met het antwoordblad in de bijlage  
  van Magister;
- Maak hierna het huiswerk voor dinsdag 7 april: test Grammatica  
  zinsdelen in Teams.

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Video

Succes!

Slide 23 - Tekstslide