TH1B: woensdag 9 februari

Welkom TH1B
Pak alvast je leesboek voor je!
1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 1

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Welkom TH1B
Pak alvast je leesboek voor je!

Slide 1 - Tekstslide

timer
10:00

Slide 2 - Tekstslide

Lesprogramma

  1. 10 minuten lezen
  2. Werkvorm bijvoeglijk naamwoord
  3. Opdrachten afmaken
  4. Quizlet
  5. Afsluiting

Slide 3 - Tekstslide

BIJVOEGLIJK NAAMWOORD VS STOFFELIJK BIJVOEGLIJK NAAMWOORD
1. Leg je kaartje op het juiste A3-papier.
2. Maak een zin met het woord (de zin moet een lidwoord en zelfstandig naamwoord bevatten)

Slide 4 - Tekstslide


Aan de slag!




Voorzetsels
Jullie gaan nu aan de slag met de opdrachten. Aankomende maandag zijn de volgende opdrachten af:


TL              H5 Grammatica (bn) opdracht 1 t/m 5 op bladzijde 132.
                   H6 Grammatica (voorzetsels) opdracht 1 t/m 5 op bladzijde 158.

HAVO          H2 Grammatica (bn) opdracht 1 t/m 4 op bladzijde 62.
                     H5 Grammatica (voorzetsels) opdracht 1 t/m 4 op bladzijde 158.
                              
                     
Klaar?
  • Lees verder in je leesboek.
  • Leer voor de toets van aankomende maandag (zie schema Classroom)
  • Ga aan de slag voor een ander vak.


timer
8:00

Slide 5 - Tekstslide


Ga naar www.quizlet.live 
en vul de code in

Slide 6 - Tekstslide

Taalverzorging
  • Je leert over voorzetsels en vaste voorzetsels bij werkwoorden.

Slide 7 - Tekstslide

Welke voorzetsels ken je?

Slide 8 - Woordweb

Voorzetsels
Voorzetsels (vz) zijn woorden die een plaats, tijd of reden/oorzaak aangeven. Er zijn veel verschillende voorzetsels, zoals achter, bij, door, gedurende, in, naar, onder, om, op, tijdens, van, vanwege, voor, wegens.

Je gebruikt voorzetsels niet los, maar altijd in combinatie met een ander woord.

Slide 9 - Tekstslide

Zo herken je een voorzetsel
  • Je kunt een voorzetsel voor een lidwoord + zelfstandig naamwoord zetten: naast de stoel, voor de vakantie, door de sneeuw.

  • Bij sommige werkwoorden hoort een voorzetsel dat je niet kunt vervangen, een vast voorzetsel. Bijvoorbeeld:
– houden van: Tanja houdt van zwemmen.
– besteden aan: Bernard wil niet te veel tijd besteden aan zijn outfit.

Slide 10 - Tekstslide

[...1...] de stad is een gracht. 
Je moet [...2...] de brug om aan de andere kant te komen. 
[...3...] de brug slapen wel eens mensen die geen huis hebben. Vooral [...4...] de zomermaanden. 
Vaak zijn dat toeristen [...2...] andere landen.
Sleep de voorzetsels naar de 
juiste plek in het verhaal.
rond
in
uit
onder
voor
over
bij
na
op
om

Slide 11 - Sleepvraag


Aan de slag!




Voorzetsels
Jullie gaan nu aan de slag met de opdrachten. Je mag er ook voor kiezen om eerst het huiswerk van gister af te maken. 


TL           H6 Grammatica (voorzetsels) opdracht 1 t/m 5 op bladzijde 158.

HAVO         H5 Grammatica (voorzetsels) opdracht 1 t/m 4 op bladzijde 158.
                              
                     

Klaar?
  • Maak het huiswerk van gister af over de bijvoeglijke naamwoorden (zie studieplanner)
  • Lees verder in je leesboek.
  • Ga aan de slag voor een ander vak.


timer
15:00

Slide 12 - Tekstslide

Bijvoeglijk naamwoord
Een bijvoeglijk naamwoord (bn) vertelt iets over het zelfstandig naamwoord (zn). 

Wat een leuke fiets!
In dit geval zegt leuke iets over de fiets. Leuke is dus het bijvoeglijk naamwoord.

Slide 13 - Tekstslide

Zo vind je een bijvoeglijk naamwoord
  • Een bijvoeglijk naamwoord staat meestal vóór  het zelfstandig naamwoord: Een mooie film.
  • Soms staat het bijvoeglijk naamwoord achter het zelfstandig naamwoord: De film is mooi.
  • Een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord  zegt van welk materiaal iets gemaakt is: Een zilveren oorbel.

Slide 14 - Tekstslide


Samen oefenen




Bijvoeglijk naamwoord
Wat is de correcte vorm van het bijvoeglijk naamwoord? Schrijf op!

  1. De (aanharken) tuin lag er prima bij.
  2. De (lachen) meisjes liepen naar het zwembad.
  3. Het (mikken) schot van Lieke Martens was fantastisch.
  4. Maar die (winnen) penalty van Ronaldo was minder.
  5. Het (beloven) land was niet ver weg meer.
  6. De (kwispelen) honden zagen er schattig uit.



timer
4:00

Slide 15 - Tekstslide


Samen oefenen




Spelling - bijvoeglijk naamwoord
Antwoorden

  1. De aangeharkte tuin lag er prima bij.
  2. De lachende meisjes liepen naar het zwembad.
  3. Het gemikte schot van Lieke Martens was fantastisch.
  4. Maar die winnende penalty van Ronaldo was minder.
  5. Het beloofde land was niet ver weg meer.
  6. De kwispelende honden zagen er schattig uit.



Slide 16 - Tekstslide