Organen en cellen

Biologie?
1 / 34
volgende
Slide 1: Woordweb
BiologieMiddelbare schoolvmbo b, k, tLeerjaar 3

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 300 min

Onderdelen in deze les

Biologie?

Slide 1 - Woordweb

Levenskenmerken
  • Biologie is de wetenschap van het leven.

  1. Levend
  2. Dood
  3. Levenloos

  • bewegen
  • voeden (eten en drinken)
  • voortplanten
  • groeien en ontwikkelen
  • waarnemen en reageren
  • ademhalen
  • uitscheiden
(Levensverschijnselen)
Bewegen
Voeden
Waarnemen en reageren
Voortplanten
(de jongen zullen groeien
en zich ontwikkelen)
Soms is het wat moeilijk te zien
- ademhalen
- uitscheiden
De bruinvis is dood.
Hij heeft ooit geleefd maar vertoont nu geen levenskenmerken meer
2
Het water is levenloos.
Het leeft niet en heeft nooit geleefd.

3
Net als bijna alle dieren op deze plaat zijn de helmgrasplanten levend.
Ze vertonen alle levenskenmerken.

1

Slide 2 - Tekstslide

Levenskenmerken
Biologie is de wetenschap van het leven. In de biologie bestuderen we levende wezens (organismen). Organismen vertonen levenskenmerken. Alle organismen moeten bijvoorbeeld ademhalen. Als een organisme geen levenskenmerken meer vertoont is het dood. Veel voorwerpen in de natuur vertonen nooit levenskenmerken en hebben dat ook nooit gedaan. Een steen bijvoorbeeld is daarom levenloos.
De levenskenmerken zijn:
  • bewegen
  • voeden (eten en drinken)
  • voortplanten
  • groeien en ontwikkelen
  • waarnemen en reageren
  • ademhalen
  • uitscheiden
(Levensverschijnselen)
Bewegen
Voeden
Waarnemen en reageren
Voortplanten
(de jongen zullen groeien
en zich ontwikkelen)
Soms is het wat moeilijk te zien
- ademhalen
- uitscheiden
De bruinvis is dood.
Hij heeft ooit geleefd maar vertoont nu geen levenskenmerken meer
2
Het water is levenloos.
Het leeft niet en heeft nooit geleefd.

3
Net als bijna alle dieren op deze plaat zijn de helmgrasplanten levend.
Ze vertonen alle levenskenmerken.

1

Slide 3 - Tekstslide

Levenscyclus
Levenscyclus
  • geboren worden
  • groeien
  • ontwikkelen
  • voortplanten
  • sterven
geboren worden
groeien
ontwikkelen
voortplanten
sterven

Slide 4 - Tekstslide

Biologie is de wetenschap van het leven
A
waar
B
niet waar

Slide 5 - Quizvraag

In de biologie bestuderen we organismen
A
waar
B
niet waar

Slide 6 - Quizvraag

Organismen herkennen we aan de levensverschijnselen
A
waar
B
niet waar

Slide 7 - Quizvraag

Een organisme vertoont altijd alle levensverschijnselen
A
waar
B
niet waar

Slide 8 - Quizvraag

Planten kunnen waarnemen en reageren
A
waar
B
niet waar

Slide 9 - Quizvraag

Een organisme vertoont op enig moment alle levensverschijnselen
A
waar
B
niet waar

Slide 10 - Quizvraag

Het volledig rijtje van levenskenmerken is:
Ademhalen, voeden, bewegen, waarnemen, reageren, uitscheiden, voortplanten, groeien en ontwikkelen
A
waar
B
niet waar

Slide 11 - Quizvraag

Grote en kleine bouwstenen
  1. Cel
    kleinste (zelfstandig) levende eenheid

  2. Weefsel
    groep cellen met dezelfde bouw en functie

  3. Orgaan
    deel van een organisme met één (of meer) speciale functie(s)

  4. Organenstelsel
    groep samenwerkende organen met een speciale taak

  5. Organisme
beencel 
(botcel, dus niet cel uit het been)
1
beenweefsel (botweefsel)
2
dijbeen (dijbot)
3
beenderstelsel
(bottenstelsel, skelet)
4

Slide 12 - Tekstslide

Van cel tot organisme













klik hier

Slide 13 - Tekstslide

Organen

Slide 14 - Woordweb

Orgaanstelsels

Slide 15 - Woordweb

Van klein naar groot
A
cel-weefsel-orgaan-organisme
B
cel-orgaan-orgaanstelsel-organisme
C
cel-weefsel-orgaan-organisme
D
cel-weefsel-orgaan-organenstelsel-organisme

Slide 16 - Quizvraag

Een weefsel is ...
A
.. een groep cellen met een bepaalde bouw en functie
B
.. een groep cellen met een bepaalde functie
C
.. een groep cellen met een bepaalde bouw
D
.. een groep cellen

Slide 17 - Quizvraag

Een orgaan is een deel van het lichaam..
A
.. opgebouwd uit dezelfde cellen
B
.. met een speciale functie
C
.. met één of meer speciale functies
D
.. opgebouwd uit één speciaal weefsel

Slide 18 - Quizvraag

Wat is een goed voorbeeld van een organenstelsel
A
hersenstelsel
B
regelstelsel
C
zenuwstelsel

Slide 19 - Quizvraag

Het grootste orgaan van de mens is ..
A
de lever
B
de longen
C
de romp
D
de huid

Slide 20 - Quizvraag

De microscoop
oculair
tubus
revolver
objectief
tafel
statief
grote schroef
kleine schroef
lamp
diafragma
voet
preparaatklem
Puzzel
Preparaat

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Video

Plantaardige cellen
  1. celwand
  2. celmembraan
  3. cytoplasma
  4. bladgroenkorrels
  5. celkern
  6. vacuole
  7. intercellulaire ruimte

celwand
1
cytoplasma met bladgroenkorrels
4
celkern
5
cytoplasma
3
celmembraan
2
vacuole
6
intercellulaire ruimte
7

Slide 23 - Tekstslide

Plantaardige cellen
De celwand is een soort doosje dat om een cel heen zit. Gelijk daarbinnen vinden we het celmembraan. Dit is het eigenlijke buitenste laagje van de cel en zorgt ervoor dat niet alles zo maar de cel in of uit kan. Het cytoplasma is een stroperige vloeistof die bestaat uit water met daarin opgeloste stoffen en eiwitten. In het cytoplasma liggen de bladgroenkorrels die glucose maken. In het cytoplasma ligt ook de celkern. Dit is het onderdeel dat alle processen in de cel regelt. In het midden van de cel vinden we een vacuole, een blaasje dat gevuld is met (vooral) water. De cellen sluiten niet overal precies op ekaar aan hierdoor ontstaan intercellulaire ruimten
In sommige cellen (niet op de afbeelding) zitten dan ook nog zetmeelkorrels en/of kleurstofkorrels.
Niet alle cellen bevatten al deze onderdelen. Wortelcellen bijvoorbeeld hebben (bijna) nooit bladgroenkorrels.

celwand
1
cytoplasma met bladgroenkorrels
4
celkern
5
cytoplasma
3
celmembraan
2
vacuole
6
intercellulaire ruimte
7

Slide 24 - Tekstslide

In de afbeelding hieronder zie je plantaardige cellen
A
ja dat weet ik zeker
B
dat kan, maar het kunnen ook schimmelcellen zijn
C
dat weet ik niet zeker want ik zie geen celkernen
D
zeker niet, want er is geen vacuole te zien

Slide 25 - Quizvraag

Enkele beweringen:
1. De vacuole is gevuld met voornamelijk lucht
2. Intercellulaire ruimten bevatten meestal water
3. het cytoplasma bestaat uit water met daarin eiwitten en opgeloste zouten
A
1, 2 en 3 zijn waar
B
1 is waar 2 en 3 niet
C
1 en 2 zijn niet waar, 3 wel
D
1, 2,en 3 zijn niet waar

Slide 26 - Quizvraag

In plantaardige cellen zitten allerlei korrels, goede voorbeelden hiervan zijn ..
A
bladgroenkorrels en voedingskorrels
B
voedingskorrels en kleurstofkorrels
C
kleurstofkorrels en zetmeelkorrels
D
voedingskorrels en bladgroenkorrels

Slide 27 - Quizvraag

Een tomaat die rijp wordt verandert van kleur,
eerst is de tomaat groen en dan wordt hij rood.
Wat gebeurt er tijdens het rijpen?
A
Boskabouters spelen een spelletje
B
Er worden rode kleurstofkorrels gemaakt
C
bladgroenkorrels worden afgebroken
D
bladgroenkorrels veranderen in rode kleurstofkorrels

Slide 28 - Quizvraag

Zet alle (mogelijke) onderdelen van een plantaardige cel op een rijtje

Slide 29 - Open vraag

Dierlijke cel
  1. celmembraan
  2. cytoplasma
  3. celkern
    (bestaande uit kernmembraan en kernplasma)

  • met een gewone lichtmicroscoop is niet meer dan dit te zien van dierlijke cellen
  • In werkelijkheid zijn ze natuurlijk veel ingewikkelder
celmembraan
1
cytoplasma
2
kernmembraan
3a
kernplasma
3b

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide

Chromosomen
  • In bijna elke cel ligt een celkern
  • in elke celkern
  • chromosomen
  • in paren
  • bevatten alle informatie voor wat
    in de cel geregeld moet worden
  • bv. hoe een speekselkliercel amylase moet maken
  • of en wanneer een zintuigcel een
    elektrisch signaaltje moet genereren
  • Normaal zie je geen chromosomen in de cel
  • Maar wel als deze zich aan het delen is
  • kijk maar naar de volgende slide

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Tekstslide

Gewone celdeling of mitose
Cel in rust, de chromosomen 
zijn niet zichtbaar. 
Vlak voor een deling wordt 
van ieder chromosoom een 
exacte kopie gemaakt.
1
De chromosomen zijn 
korter en dikker geworden, 
het kernmembraan verdwijnt.
2
De chromosomen gaan 
met het kopie in het 
midden van de cel liggen
3
De twee draden van
elk chromosoom worden 
uit elkaar getrokken
4
De twee draden van
elk chromosoom komen
apart te liggen
5
Er ontstaan twee
groepjes chromosomen 
in de cel
6
Er ontstaan twee
celkernen met nieuwe 
kernmembranen eromheen.
Er ontstaat een celmembraan
dat de oude cel in tweeën deelt
7
De chromosomen worden
weer onzichtbaar.
Er zijn twee dochtercellen
gevormd.
8

Slide 34 - Tekstslide