3a1 BME - Beeldspraak en stijlfiguren deel 2

Welkom
Zoek een plekje.
Pak je boek, je schrift en een pen.
Leg je tijdschriften alvast klaar.

1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Welkom
Zoek een plekje.
Pak je boek, je schrift en een pen.
Leg je tijdschriften alvast klaar.

Slide 1 - Tekstslide

Nog even de afspraken
- Telefoon in je tas (op stil, vliegtuigmodus of uit).
- Tijdens de instructie ben je stil.
- Als je iets wilt vragen steek je je hand op, je wacht met praten tot je de beurt krijgt.

- Huiswerk niet gemaakt? > wordt genoteerd in Magister
- Spullen niet mee? > wordt genoteerd in Magister

Slide 2 - Tekstslide

Fictie / non-fictie
  • Verzonnen = fictie
    Leesboeken, strips, films, toneelstukken en gedichten. 
  • Niet verzonnen is = non-fictie
    Schoolboeken, nieuwsberichten, kookboeken en een handleiding.


Slide 3 - Tekstslide

Wat weten we al
Verhalen kunnen realistisch of niet-realistisch zijn.

Realistisch: als het verhaal lijkt op de werkelijkheid

Niet-realistisch: als in een verhaal dingen voorkomen die ongeloofwaardig zijn of die in werkelijkheid niet mogelijk zijn.

Slide 4 - Tekstslide

Realismelijn

Slide 5 - Tekstslide

Waargebeurd
In een verhaal kunnen waargebeurde dingen staan zoals personages en (historische) gebeurtenissen.

Het verhaal blijft fictie omdat er altijd iets verzonnen of weggelaten is.

Slide 6 - Tekstslide

Als iets niet letterlijk bedoeld is zoals het er staat, dat heet dat beeldspraak.

Slide 7 - Tekstslide

Beeldspraak
Spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten figuurlijk taalgebruik               Beeldspraak!

Schrijvers van fictie gebruiken
ook vaak beeldspraak.

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Vergelijkingen
Noemt de overeenkomst tussen het onderwerp en iets anders.

2 soorten:
1. Vergelijkingen met als (maar ook met: zoals, alsof en net als)
2. Vergelijkingen zonder als (met werkw. als bijv. lijken en zijn)

Slide 10 - Tekstslide

Voorbeelden van vergelijkingen 
De trein was zo vol, we zaten als haringen in een ton.
Hij is zo gek als een deur.
Hij ging er als een haas vandoor.
Hij lacht als een boer met kiespijn.
Jouw kamer lijkt een zwijnenstal.
Hij is een boom van een vent.


Hoe schrijf je dit op op de toets:
In deze zin staat een vergelijking zonder als: 'hij' wordt door het ww 'is' vergeleken met een boom.

Slide 11 - Tekstslide

Metonymia

De beeldspraak berust niet op een vergelijking, maar op een specifieke eigenschap van het object.

-    Je noemt een deel in plaats van het geheel

     Even de neuzen tellen
-    Je noemt het geheel in plaats van een deel
      Nederland heeft gewonnen > je bedoelt alleen het elftal


Slide 12 - Tekstslide

Metonymia
-    Je noemt het materiaal, maar je bedoelt het voorwerp
      (hij won goud)
-    Je noemt een aardrijkskundige naam, maar je bedoelt het
      product dat daarmee verbonden is. (Ik eet het liefst
      edammer)



Slide 13 - Tekstslide

Metonymia
-    Je noemt plaats/ruimte, maar je bedoelt de mensen die daar
      zijn. (De zaal gaf een enorm applaus.)
-    Je noemt de producent, maar je bedoelt het product:
      een Apple
-    Je noemt de eigenschap, maar je bedoelt de persoon
     (die lange)


Slide 14 - Tekstslide

Metafoor
metafoor = alleen beeld aanwezig, beeld en object hebben iets gemeenschappelijks (vergelijking/gelijkenis).

Aan de voet van de berg stond ze te wachten. 
beeld = aan de voet
object (betekenis) = aan de onderkant 
Voet en aan de onderkant hebben iets gemeenschappelijks (gelijkenis)! 

Maar ook: de kameel is het schip van de woestijn (ze doorkruisen allebei deinend en schommelend een grote vlakte)

Slide 15 - Tekstslide

Personificatie
personificatie = levenloze voorwerpen/begrippen worden als levend voorgesteld

Mijn hart klopte in mijn keel. 
beeld = je hart klopt in je keel
object (betekenis) = je bent zenuwachtig 

Maar ook: 
De wind speelt met de wuivende takken van de boom.
Papier is geduldig.

Slide 16 - Tekstslide

Samenvattend
vergelijking-met-als = onderwerp wordt vergeleken met iets anders met verbindingswoord
vergelijking-zonder-als = onderwerp wordt vergeleken met iets anders, zonder verbindingswoord

metafoor = alleen beeld aanwezig, beeld en object hebben iets gemeenschappelijks (vergelijking)
metonymia = alleen beeld aanwezig, beeld heeft niet iets gemeenschappelijk  met object (andere relatie)
personificatie = levenloze voorwerpen/begrippen worden als levend voorgesteld

Slide 17 - Tekstslide

Regels
De eerste 10 minuten werkt iedereen in stilte!

Dus ook geen vragen stellen. Kom je er niet uit, ga dan verder met iets dat wel lukt.

Als iemand er doorheen praat, komen er 5 minuten bij.

Slide 18 - Tekstslide

Opdracht
Zoek in de tijdschriften naar vormen van beeldspraak
Minstens 2 per vorm!
Kijk in je boek op blz 19 en 20.

Klaar? Lees het verhaal 'Alles is anders'
Lesboek blz. 9


timer
10:00

Slide 19 - Tekstslide

Een voorbeeld van een metafoor is
A
Een kameel is het schip van de woestijn
B
Papier is geduldig
C
Die lange staat daar
D
Hij is een boom van een vent

Slide 20 - Quizvraag

Dat is zo krom als een banaan.
A
Metonymia
B
Vergelijking zonder als
C
Vergelijking met als
D
Personificatie

Slide 21 - Quizvraag

Een voorbeeld van personificatie is...
A
De bal ligt naast het doel.
B
De bal is weggerold.
C
De bal is rond.
D
De bal heeft de achterkant van de lijn gezien.

Slide 22 - Quizvraag

Noteer 1 ding dat jij
niet meer vergeet na deze les.

Slide 23 - Woordweb