Pegasus Novus 1 Hoofdstuk 3 Templum

Pegasus 1 Hoofdstuk 3: Templum
Nieuwe stof: Genitief 


Lesdoelen
Je kunt uitleggen wat de genitief inhoudt. 
Je kunt de genitief herkennen. 
Je kunt de genitief vertalen. 
1 / 48
volgende
Slide 1: Tekstslide
LatijnMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

In deze les zitten 48 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 300 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Pegasus 1 Hoofdstuk 3: Templum
Nieuwe stof: Genitief 


Lesdoelen
Je kunt uitleggen wat de genitief inhoudt. 
Je kunt de genitief herkennen. 
Je kunt de genitief vertalen. 

Slide 1 - Tekstslide

Over de genitief 
0. Wat zijn naamvallen ook alweer? 
1. Wat is de genitief? 
2. Hoe herken je de genitief? 

Slide 2 - Tekstslide

Over de genitief 
0. Wat zijn naamvallen ook alweer? 
Startopdracht: 
Maak de zinnen af: 
1. In het Latijn kennen we vijf naamvallen. Daarvan hebben we er al .... geleerd. 
2. De ... wordt gebruikt voor het onderwerp en naamwoordelijk deel. 
3. Voor het .... .... gebruikt met de accusatief. 
4. Je kunt aan .... ...... zien met welke naamval je te maken hebt. 
5. Dat betekent dus dat je heel goed ... ...... moet leren! 

Slide 3 - Tekstslide

Over de genitief 
0. Wat zijn naamvallen ook alweer? 
Startopdracht: 
Maak de zinnen af: 
1. In het Latijn kennen we vijf naamvallen. Daarvan hebben we er al twee geleerd. 
2. De ... wordt gebruikt voor het onderwerp en naamwoordelijk deel. 
3. Voor het .... .... gebruikt met de accusatief. 
4. Je kunt aan .... ...... zien met welke naamval je te maken hebt. 
5. Dat betekent dus dat je heel goed ... ...... moet leren! 

Slide 4 - Tekstslide

Over de genitief 
0. Wat zijn naamvallen ook alweer? 
Startopdracht: 
Maak de zinnen af: 
1. In het Latijn kennen we vijf naamvallen. Daarvan hebben we er al twee geleerd. 
2. De nom. wordt gebruikt voor het onderwerp en naamwoordelijk deel. 
3. Voor het .... .... gebruikt met de accusatief. 
4. Je kunt aan .... ...... zien met welke naamval je te maken hebt. 
5. Dat betekent dus dat je heel goed ... ...... moet leren! 

Slide 5 - Tekstslide

Over de genitief 
0. Wat zijn naamvallen ook alweer? 
Startopdracht: 
Maak de zinnen af: 
1. In het Latijn kennen we vijf naamvallen. Daarvan hebben we er al twee geleerd. 
2. De nom. wordt gebruikt voor het onderwerp en naamwoordelijk deel. 
3. Voor het lijd vwp gebruikt met de accusatief. 
4. Je kunt aan .... ...... zien met welke naamval je te maken hebt. 
5. Dat betekent dus dat je heel goed ... ...... moet leren! 

Slide 6 - Tekstslide

Over de genitief 
0. Wat zijn naamvallen ook alweer? 
Startopdracht: 
Maak de zinnen af: 
1. In het Latijn kennen we vijf naamvallen. Daarvan hebben we er al twee geleerd. 
2. De nom. wordt gebruikt voor het onderwerp en naamwoordelijk deel. 
3. Voor het lijd vwp gebruikt met de accusatief. 
4. Je kunt aan de uitgang zien met welke naamval je te maken hebt. 
5. Dat betekent dus dat je heel goed ... ...... moet leren! 

Slide 7 - Tekstslide

Over de genitief 
0. Wat zijn naamvallen ook alweer? 
Startopdracht: 
Maak de zinnen af: 
1. In het Latijn kennen we vijf naamvallen. Daarvan hebben we er al twee geleerd. 
2. De nom. wordt gebruikt voor het onderwerp en naamwoordelijk deel. 
3. Voor het lijd vwp gebruikt met de accusatief. 
4. Je kunt aan de uitgang zien met welke naamval je te maken hebt. 
5. Dat betekent dus dat je heel goed de rijtjes moet leren! 

Slide 8 - Tekstslide

Over de genitief 
1. Wat is de genitief? 
  • de genitief kan een bijvoeglijke bepaling (BVB) aanduiden 
  • een bijvoeglijke bepaling geeft meer informatie over het naamwoord waar het bij hoort (oftewel de kern
  • een bijvoeglijke bepaling kán de vorm aannemen van een bijvoeglijk naamwoord (de slapende meester) 
  • maar een BVB kan ook worden gevormd met het woordje 'van' 
  • (het boek van de juf, 
  • de godin van de jacht, 
  • het meisje met/van uitzonderlijke schoonheid) 
  • In het Latijn vertaal je de genitief dus met 'van

Slide 9 - Tekstslide

Over de genitief 
2. Hoe herken je de genitief? 
  • Dit is dus de vorm die in de middenkolom staat in de woordenlijst 
  • Je moet altijd letten op de uitgang 
  • We gaan de juiste vormen van de accusatief en de genitief toevoegen aan jullie 'rijtjes'! (zie la voor uitgeknipte woordjes)

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Planning
1. korte overhoring genitief 
2. oefenen met de genitief 
3. reflectie en afsluiting 
Lesdoelen: 
Je kunt uitleggen wat de genitief inhoudt.
Je kunt de genitief herkennen.
Je kunt de genitief vertalen. 


Slide 12 - Tekstslide

korte overhoring 
Schrijf op je kaartje alleen de genitieven over: 
fabulae, matris, noctem, servorum, vocum, senator

Slide 13 - Tekstslide

korte overhoring 
Schrijf op je kaartje alleen de genitieven over: 
fabulae, matris, noctem, servorum, vocum, senator

Slide 14 - Tekstslide

Over de genitief 
1. Wat is de genitief? 
  • de genitief kan een bijvoeglijke bepaling (BVB) aanduiden 
  • een bijvoeglijke bepaling geeft meer informatie over het naamwoord waar het bij hoort (oftewel de kern
  • een bijvoeglijke bepaling kán de vorm aannemen van een bijvoeglijk naamwoord (de slapende meester) 
  • maar een BVB kan ook worden gevormd met het woordje 'van' 
  • (het boek van de juf, 
  • de godin van de jacht, 
  • het meisje met/van uitzonderlijke schoonheid) 
  • In het Latijn vertaal je de genitief dus met 'van

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Oefenen: 1 tm 5 

Slide 17 - Tekstslide

Planning
1. huiswerk bespreken
2. verder oefenen met de genitief 
3. reflectie en afsluiting 
Lesdoelen: 
Je kunt uitleggen wat de genitief inhoudt.
Je kunt de genitief herkennen.
Je kunt de genitief vertalen. 


Slide 18 - Tekstslide

Over de genitief 
Lesdoelen: 
Je kunt uitleggen wat de genitief inhoudt.
Je kunt de genitief herkennen.
Je kunt de genitief vertalen. 

Hoe vertaal je dus : dea amoris 

Slide 19 - Tekstslide

Planning
1. huiswerk bespreken
2. vertaaltekst Fur in Olympo 
3. reflectie en afsluiting 
Lesdoelen: 
Je kunt uitleggen wat de genitief inhoudt.
Je kunt de genitief herkennen.
Je kunt de genitief vertalen. 


Slide 20 - Tekstslide

‘Iuppiter, est fūr in Olympō qui omnia rapit et posteā fugit.
Prīmum Mārtis gladius, deinde tridēns Neptūnī raptus est. Dēnique arcus sagittaeque meae raptae sunt.Vulcāne, nōnne habēs omnia īnstrūmenta tua?’
  • Jupiter, er is een dief op de Olympus die alles rooft en daarna vlucht. 
  • Eerst is het zwaard van Mars, vervolgens de drietand van Neptunus geroofd. 
  • Tenslotte zijn mijn boog en pijlen geroofd. 
  •  Vulcanus, heb jij wel al jouw instrumenten?/Jij hebt toch wel al jouw instrumenten?

Slide 21 - Tekstslide

‘Omnia habeō, Apollō.‘

Tamen bene circumspice, amīce!‘

Forcipem magnum, edepol, nōn iam cōnspiciō!

‘Fūrem capere cupimus, pater!’
  • Ik heb alles, Apollo. 

  • Kijk toch goed rond, vriend! 

  • (mijn/een/de)Grote tang, bij Pollux, bemerk ik niet meer. 

  • Wij verlangen de dief te vangen, vader! 

Slide 22 - Tekstslide

‘Fūrem ignōtum nōn iam quaerite! Nōmen eius sciō. Fūr est ... 

Mercurius, fīlius meus nūper nātus! 

Puer parvus et laetus est, sed fūrācissimus quoque est!’
  • Zoek de onbekende dief niet meer! Ik weet zijn naam. De dief is....
  • Mercurius, mijn pasgeboren zoon! 
  • Hij is een klein en blij jongetje, maar ook een echt diefje! 

Slide 23 - Tekstslide

‘Quōmodo infāns parvus aliquid malī in animō habēre potest?

‘Tamen ita est: auctor scelerum est fīlius meus! 

In incunabilīs eius omnia reperīre potestis. 
Etiam scēptrum meum iam abstulit, nam deōrum nūntius fierī cupit.

 Itaque etiam calceōs ālātōs habet.’
  • Hoe kan een klein kind iets kwaads van plan zijn? 
  • Toch is het zo: de aanstichter/dader van de misdaden is mijn zoon! 
  • Jullie kunnen alles in zijn luier terugvinden. 
  • Hij heeft zelfs mijn scepter al gestolen, want hij wil de bode van de goden worden. 
  • Daarom heeft hij ook gevleugelde schoenen. 

Slide 24 - Tekstslide

‘Quālem infantem!’

‘Quālis pater, tālis fīlius! 

Et nunc, amīcī, prīmum omnia recipiāmus et deinde ūnā nectar bibā mus!’
  • Wat een kind! 
  • Zo vader, zo zoon! 
  • En nu, laten wij eerst alles terughalen en daarna samen nectar drinken! 

Slide 25 - Tekstslide

2VgB: Welkom terug!

Slide 26 - Tekstslide

Pegasus 1 H 3.7
Nieuwe stof: Werkwoorden volgens capere 

Lesdoelen
☐amāre, monēre, audīre en capere vervoegen in de infinitief en indicatief praesens.
☐de vervoegde vormen van werkwoorden splitsen, determineren, vertalen en het model ervan bepalen.

Slide 27 - Tekstslide

Werkwoorden volgens capere 
1. Korte herhaling behandelde stof 
2. Overzicht nieuwe stof 
3. Kort zoekopdrachtje woordenlijst 
4. Oefening 1 


Slide 28 - Tekstslide

1. Vooraf: hoe zit het ook alweer met de vervoegingen?
Drie vervoegingsmodellen:
1. a-stam: am-o, ama-re
2. ē-stam: monē-o, monē-re
3. i-stam: audi-o, audi-re

Slide 29 - Tekstslide

De uitgangen 
  • am-o
  • ama-s
  • ama-t
  • ama-mus
  • ama-tis
  • ama-nt 

Slide 30 - Tekstslide

2. Nieuwe stof: wat komt erbij?
Een vierde vervoegingsmodel:
1. a-stam: am-o, ama-re
2. ē-stam: monē-o, monē-re
3. i-stam:  audi-o, audi-re
4. capere: capi-o, capĕre 
Wat is het verschil in stam en infinitief?

Slide 31 - Tekstslide

Vervoeging capere 
  • capi-o
  • capi-s
  • capi-t
  • capi-mus
  • capi-tis
  • capi-u-nt

Slide 32 - Tekstslide

3. Hoe vind je 'capere'-werkwoorden in de woordenlijst? 


  • 1e persoon op -io
  • inf op ĕre
  • zoek nog een voorbeeld op p. 30


Voorbeelden op p. 19?

Slide 33 - Tekstslide

4.  Oefening 1 t/m 3. Klaar? Oef 6
Je kunt de werkwoorden splitsen in stam, bindklinker en uitgang 

Slide 34 - Tekstslide

Pegasus 1 H 3.7
Nieuwe stof: Werkwoorden volgens capere 

Lesdoelen
☐amāre, monēre, audīre en capere vervoegen in de infinitief en indicatief praesens.
☐de vervoegde vormen van werkwoorden splitsen, determineren, vertalen en het model ervan bepalen.

Slide 35 - Tekstslide

Pegasus 1 H 3.8
Nieuwe stof: Onregelmatige werkwoorden

Lesdoel
☐ Je kunt de vervoegde vormen van de onregelmatige werkwoorden īre en fierī determineren en vertalen.

Slide 36 - Tekstslide

Nieuwe stof: wat komt erbij?
Onregelmatige werkwoorden ire en fieri 

Slide 37 - Tekstslide

Vervoeging ire (=gaan)
  • e-o
  • i-s
  • i-t
  • i-mus
  • i-tis
  • e-u-nt  
Samenstellingen 
  • ab-ire (weggaan)
  • re-d-ire (terugkeren)
  • ad-ire (gaan naar)
  • praeter-ire (voorbijgaan)
  • in-ire (binnengaan)
  • ex-ire (buitengaan)

Slide 38 - Tekstslide

Vervoeging fieri (=worden, gebeuren, gemaakt worden)
  • fi-o
  • fi-s
  • fi-t
  • fi-mus
  • fi-tis
  • fi-u-nt 

Slide 39 - Tekstslide

Oefening 1 t/m 4 
Je kunt de vervoegde vormen van de onregelmatige werkwoorden īre en fierī determineren en vertalen.

Slide 40 - Tekstslide

Pegasus 1 H 3.8
Nieuwe stof: Onregelmatige werkwoorden

Lesdoel
☐ Je kunt de vervoegde vormen van de onregelmatige werkwoorden īre en fierī determineren en vertalen.

Slide 41 - Tekstslide

Pegasus 1 H 3.12 Ariadnae filum
Nieuwe stof: De draad van Ariadne 

Lesdoel
☐ Je kunt aantonen dat je de leestekst begrijpt. 

Slide 42 - Tekstslide

Hoe zat het ook alweer met deze figuren?
  • Theseus
  • Ariadne
  • Minotaurus
  • Koning Minos
  • Koning Aigeus  

Slide 43 - Tekstslide

Ariadna Daedalum, labyrinthī architectum, adit. Quārē rēgis fīlia Daedalum adit?
‘Daedale,’ inquit, ‘tū labyrinthī architectus es. Nōnne tū viam per labyrinthum
mōnstrāre potes?’ Daedalus nōn respondet, sed longum fīlum gladiumque dat.
Ariadna in carcerem it et Daedalī dōna Thēseō dat.

  • Ariadne gaat naar Daedalus, de architect van het labyrint. 
  • Waarom gaat de dochter van de koning naar Daedalus? ‘
  • Daedalus,’ zegt ze, ‘jij bent de architect van het labyrint. 
  • Jij kunt toch wel de weg door het labyrint wijzen?’ 
  • Daedalus antwoordt niet, maar geeft een lange draad en een zwaard.
  • Ariadne gaat naar de gevangenis en geeft de geschenken van Daedalus aan Theseus.

Slide 44 - Tekstslide

Posterō diē rēgis mīlitēs timidōs iuvenēs timidāsque virginēs in labyrinthum dūcunt
ibique eōs inclūdunt. Itaque iuvenēs virginēsque maximē timent. Thēseus quoque
labyrinthum intrat et Ariadnae fīlum dēvolvit. Sīc semper exitum reperīre potest.

  • De volgende dag leiden de soldaten van de koning de bange jongemannen en de bange meisjes naar het labyrint en sluiten hen daar op. 
  • Daarom zijn de jongemannen en de meisjes heel bang. 
  • Ook Theseus gaat binnen in het labyrint en wikkelt de draad van Ariadne af. 
  • Zo kan hij altijd de uitgang vinden.

Slide 45 - Tekstslide

Tandem Thēseus in mediō labyrinthō Mīnōtaurum invenit. Statim Mīnōtaurī caput
corripit gladiōque eum necat. Deinde fīlum comprehendit et labyrinthī exitum reperit.

  • Uiteindelijk vindt Theseus in het midden van het labyrint de Minotaurus. 
  • Dadelijk grijpt hij het hoofd van de Minotaurus vast en doodt hem met zijn zwaard. 
  • Daarna grijpt hij de draad en vindt de uitgang van het labyrint.

Slide 46 - Tekstslide

Thēseus et iuvenēs virginēsque ē labyrinthō exīre possunt. Tum Thēseus Ariadnam
vocat. Ariadna laetam vōcem Thēseī audit maximēque gaudet. Deinde Thēseus et
Ariadna ad nāvem fugiunt et Crētam relinquunt. Numquam iam Athēniensēs septem
iuvenēs septemque virginēs in Crētam mittere dēbent!

  • Theseus en de jongemannen en de meisjes kunnen uit het labyrint weggaan. 
  • Op dat moment roept Theseus Ariadne.
  • Ariadne hoort de vrolijke stem van Theseus en ze is heel blij.
  • Daarna vluchten Theseus en Ariadne naar het schip en ze verlaten Kreta. 
  • Nooit meer moeten de Atheners zeven jongemannen en zeven meisjes naar Kreta zenden!

Slide 47 - Tekstslide

Pegasus 1 H 3.12 Ariadnae filum
Nieuwe stof: De draad van Ariadne 

Lesdoel
☐ Je kunt aantonen dat je de leestekst begrijpt. 

Slide 48 - Tekstslide