Toets (2a) lesvoorbereiding dag 3

Variabele leerlingkenmerken zijn:
A
Motivatie, houding, emotie, faalangst.
B
Houding, leerstijl, karakter, motivatie.
C
Interesse, karakter, emoties, attitude.
1 / 46
volgende
Slide 1: Quizvraag
VerkeersopleidingenBeroepsopleiding

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Variabele leerlingkenmerken zijn:
A
Motivatie, houding, emotie, faalangst.
B
Houding, leerstijl, karakter, motivatie.
C
Interesse, karakter, emoties, attitude.

Slide 1 - Quizvraag

Een cursist is het best gemotiveerd als:
A
Zijn behoefte om een bepaald doel te bereiken heel groot is.
B
Hij veel tijd in zijn studie steekt.
C
Hij studeert, omdat het van zijn werkgever moet.

Slide 2 - Quizvraag

Een leerling leest voor zijn plezier in het theorieboek. Hij vindt het leuk om allerlei verkeersproblemen op te lossen. Deze leerling beschikt over?
A
Een sterke intrinsieke motivatie.
B
Een sterkte extrinsieke motivatie.
C
Een sterke prestatiemotivatie.

Slide 3 - Quizvraag

De leerling die graag meerijdt bij een andere leerling en tijdens deze lessen goed meekijkt.....
A
Is intrinsiek gemotiveerd.
B
Is extrinsiek gemotiveerd.
C
Heeft een hoge cognitieve complexiteit.

Slide 4 - Quizvraag

Wanneer zal de motivatie van leerlingen toenemen?
A
Wanneer de rijtaken makkelijk zijn.
B
Wanneer de leerling zoveel mogelijk wordt begeleid.
C
Wanneer de instructie is aangepast aan het type en niveau van de leerling.

Slide 5 - Quizvraag

Wat is de voornaamste functie van een intest?
A
Te bezien of de aangemelde leerling wel te instrueren is.
B
Inschatten hoeveel lessen er ongeveer benodigd zijn voor het behalen van het examen.
C
Vast te stellen wat een leerling wel en niet kan.

Slide 6 - Quizvraag

Wat is de aanpak voor de inschatting van het benodigd aantal rijlessen?
A
Een intakegesprek en een toets.
B
Een toets en 1 of 2 rijlessen.
C
Een intakegesprek en meerdere rijlessen.

Slide 7 - Quizvraag

Waardoor wordt een zelfsturende aanpak gekenmerkt?
A
Een voorkeur om zelfstandig een leertaak aan te pakken.
B
Het erg vinden om fouten te maken.
C
Leren door vallen en opstaan.

Slide 8 - Quizvraag

Iemand die goede leerresultaten behaalt als de docent veel aanwijzingen en opdrachten geeft is een leerling met een:
A
Zelfstandige leerstijl.
B
Momentaanpak.
C
Zelfsturende leerstijl.

Slide 9 - Quizvraag

Observerend leren wil zeggen:
A
Onbewust leren terwijl je naar iets kijkt.
B
Leren terwijl de instructeur je observeert.
C
Bewust en gericht naar iets kijken met de bedoeling er iets van te leren.

Slide 10 - Quizvraag

Observerend leren kan het best worden toegepast:
A
In de beginfase, met name voertuigbeheersing.
B
In de beginfase, met name de voertuigbediening.
C
Verderop in de opleiding, met name de verkeersdeelname.

Slide 11 - Quizvraag

Observerend leren is vooral geschikt voor:
A
Leerlingen met een fouten- analyserende aanpak.
B
Leerlingen met een momentaanpak.
C
Leerlingen met een stuurloze aanpak.

Slide 12 - Quizvraag

Leerlingen met een fouten- analyserende aanpak zijn het meest gebaat bij:
A
Elementinstructie.
B
Totaalinstructie.
C
Instructie op een oefenterrein.

Slide 13 - Quizvraag

Leerlingen met negatieve faalangst zijn het meest gebaat bij:
A
Element instructie.
B
Totaalinstructie.
C
Beide.

Slide 14 - Quizvraag

Leerlingen met een beperkte cognitieve complexiteit zijn het meest gebaat bij:
A
Elementinstructie.
B
Totaalinstructie.
C
Beide.

Slide 15 - Quizvraag

Wat is een onderdeel van een didactische werkvorm?
A
Onderwijsleergesprek.
B
Intra-individueel verschil.
C
Opdrachtvorm.

Slide 16 - Quizvraag

Welke soorten didactische werkvormen zijn te onderscheiden?
A
Doceren, demonstreren, vertellen.
B
Werkstukken maken, practicum, opdrachten maken.
C
Meedelende vorm, gespreksvorm, opdrachtvorm.

Slide 17 - Quizvraag

Een luister-les is een geschikte werkvorm als het doel van de les is:
A
Het bevorderen van communicatie in de groep.
B
Om ervaringen uit te wisselen.
C
Het geven van informatie.

Slide 18 - Quizvraag

Wat is een onderwijsleergesprek?
A
Een gesprek tussen instructeur en leerlingen en tussen leerlingen onderling.
B
Een gesprek tussen leerlingen onderling.
C
Een door de instructeur geleid gesprek, waarbij de instructeur zijn cursisten stap voor stap tot bepaalde inzichten brengt.

Slide 19 - Quizvraag

Welke werkvormen kunnen tijdens de praktijkles worden gebruikt?

.
A
Doceren, werkgroep.
B
Demonstreren en opdrachten geven.
C
Vertellen, uitleggen.

Slide 20 - Quizvraag

Het onderwijsleergesprek gebruik je vooral om:
A
Leerlingen kennis over te dragen.
B
Leerlingen inzichten bij te brengen.
C
Leerlingen te toetsen.

Slide 21 - Quizvraag

De instructeur heeft voor de theorieles weinig tijd beschikbaar. Hij kiest voor de werkvorm:
A
Onderwijsleergesprek.
B
Doceren.
C
Demonstreren.

Slide 22 - Quizvraag

De instructeur legt de voorrangsregels uit aan de hand van dia’s m.b.v. vraagstelling. De werkvorm die hij gebruikt is:
A
Case-study.
B
Onderwijsleergesprek.
C
Demonstreren.

Slide 23 - Quizvraag

De keuze van didactische werkvormen wordt onder andere bepaald door:
A
De leerdoelen.
B
De programma eisen van het CBR.
C
De lesprijzen.

Slide 24 - Quizvraag

Welke werkvormen zijn het meest geschikt voor het aanleren van motorische vaardigheden?
A
Zelfstudie en opdrachten geven.
B
Zelfstudie en demonstreren.
C
Demonstreren en opdrachten geven.

Slide 25 - Quizvraag

Bij de werkvorm doceren is:
A
De instructeur actief en de leerling passief.
B
De leerling actief en de instructeur passief.
C
Zowel de leerling als de instructeur even actief.

Slide 26 - Quizvraag

De instructeur wil de lengte van de remweg behandelen tijdens de theorieles. Hij kan hiervoor het beste gebruik maken van de werkvorm:
A
Onderwijsleergesprek.
B
Demonstreren.
C
Zelfstudie.

Slide 27 - Quizvraag

De instructeur wil dat zijn leerlingen inzicht krijgen in de verkeersrisico’s. Hij kiest daarvoor de werkvorm:
A
Doceren.
B
Gevalsmethode.
C
Onderwijsleergesprek

Slide 28 - Quizvraag

Stelling 1: Als je praktijkles geeft zijn er heel wat momenten waarop je moet doceren.
Stelling 2: Tijdens een praktijkles kan je niet doceren.
A
Alleen stelling 1 is juist.
B
Alleen stelling 2 is juist.
C
Stelling 1 en 2 zijn niet juist.

Slide 29 - Quizvraag

Welke werkvorm gebruikt men als door het stellen van korte vragen de leerling aan het denken wordt gezet?
A
Onderwijsleergesprek.
B
Overhoren.
C
Zelfstudie.

Slide 30 - Quizvraag

Wanneer men de werkvorm case- study gebruikt is het uitgangspunt:
A
Een door de instructeur bedachte stelling.
B
Een uit de praktijk afkomstig verkeersprobleem.
C
Een stelling uit het theorieboek.

Slide 31 - Quizvraag

Welke van de onderstaande beschrijvingen is géén voorbeeld van doceren:
A
De instructeur vat de hoofdpunten van de les kort samen en deelt die aan de leerlingen mee.
B
Aan het begin van een groepsdiscussie legt de instructeur de probleemstelling van de discussie uit.
C
De instructeur vraagt aan de leerling of hij begrijpt hoe de oefening moet worden uitgevoerd.

Slide 32 - Quizvraag

Bij gebruik van de werkvorm “case- study” is het de bedoeling:
A
Om door samen te werken met anderen, van anderen te leren.
B
Te leren hoe je in de toekomst soortgelijke gevallen zelf kunt oplossen.
C
Samen met anderen te leren verkeersproblemen op te lossen.

Slide 33 - Quizvraag

Waarvoor gebruikt men in het onderwijs als rijinstructeur hulpmiddelen?
A
Om de taak van de instructeur te verlichten.
B
Om een goede indruk te maken op de leerling.
C
Om het onderwijs duidelijker en begrijpelijker te maken.

Slide 34 - Quizvraag

Welke van onderstaande hulpmiddelen kan een rijinstructeur tijdens de uitleg van een praktijkles gebruiken?
A
Modelauto.
B
Geluidsband.
C
Afsprakenkaart.

Slide 35 - Quizvraag

Hulpmiddelen die men tijdens de praktijkles kan gebruiken zijn:
A
Handelingsanalyses, videocamera, overheadprojector.
B
Speelgoedautootje met draaibare voorwielen, bordenfolder, situatieschetsen.
C
Richtpunten, sheets, handelingsanalyses.

Slide 36 - Quizvraag

Een bordenfolder is:
A
Een document met de Nederlandse verkeersborden, dat aan vreemdelingen wordt uitgereikt tijdens de inburgeringscursus.
B
Een geplastificeerde kaart met verkeersborden- en tekens voor gebruik in de praktijkles.
C
Een catalogus waaruit men borden kan bestellen voor het verkeersonderwijs.

Slide 37 - Quizvraag

Als een rijinstructeur met zijn cursisten aan het eind van een cursus het geheel nog eens doorspreekt met het doel de cursus te verbeteren, spreken we van:
A
Procesevaluatie.
B
Productevaluatie.
C
Foutenanalyse.

Slide 38 - Quizvraag

Bij de praktijkles geschiedt toetsen door:
A
Vragen te stellen.
B
Vragen stellen en uitvoering van de rijopdracht.
C
Een schriftelijke toets.

Slide 39 - Quizvraag

Wat is het doel van het houden van een meting na een aantal lessen?
A
De voortgang van het onderwijsleerproces te evalueren.
B
Controle of de leerling goed zijn best doet.
C
Om de leerling meer zelfvertrouwen te geven.

Slide 40 - Quizvraag

In welk deel van de les wordt de tussenevaluatie gehouden?
A
Inleiding.
B
Kern.
C
Afsluiting.

Slide 41 - Quizvraag

Met productevaluatie bedoel we:
A
Het nagaan en beoordelen in hoeverre doelstellingen van het onderwijs zijn bereikt.
B
Het onderzoek van het didactisch handelen.
C
Het gebruik van een observatieschema voor het beoordelen tijdens de praktijkles.

Slide 42 - Quizvraag

Eén van de grootste voordelen voor de leerling van het afnemen van het proefexamen door een andere rijinstructeur is dat:
A
De eigen instructeur dan les kan geven aan nieuwe leerlingen.
B
De examensituatie enigszins wordt nagebootst.
C
De subjectiviteit van de beoordeling wordt vergroot.

Slide 43 - Quizvraag

Een foutenanalyse is het op systematisch wijze achterhalen van:
A
De ontbrekende elementen in de onderwijsleersituatie.
B
Gebreken in de voorkennis van de leerling.
C
Gemaakte fouten en de oorzaak daarvan.

Slide 44 - Quizvraag

De beste manier om het product te evalueren is het gebruik van:
A
Een foutenanalyse.
B
Een genormeerde toets met procesevaluatie.
C
Controlevragen stellen.

Slide 45 - Quizvraag

Bij de productevaluatie aan het einde van de les kijk je terug naar:
A
De leerdoelen van de les.
B
Het verloop van het onderwijsleerproces.
C
Zowel antwoord A als B.

Slide 46 - Quizvraag