das Wort – het woord <div>die Antwort – het antwoord </div><div>die Aufgabe – de opdracht </div><div>die Frage – de vraag </div><div>der Freund – de vriend </div><div><br></div>
Aufg 26 C
Voorbeeldantwoorden:<br><ul><li>Die Antwort ist richtig. </li><li>Die Aufgabe mag ich nicht. </li><li>Die Frage ist spannend. </li><li>Der Freund ist toll. </li><li><br></li></ul>
Slide 5 - Tekstslide
S. 30, Aufg. 27
Doel: Je kunt in korte, informatieve teksten de belangrijkste informatie over personen begrijpen.
Waar kijk je eerst naar voordat je een tekst gaat lezen?
Waar gaat deze tekst over, denk je?
* Stichwörter - steekwoorden
20-24
Slide 6 - Tekstslide
S. 30, Aufg. 27
Lies jetzt Z. 1-21
Unterstreiche 3 Wörter die du nicht kennst und schreib sie auf