H1B2 blz 71

1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 1

In deze les zitten 16 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

What are we going to do today?
- Today's goals
- Recap Unit 1 Grammar
- What have you learned this lesson?
- Homework

Slide 2 - Tekstslide

Today's goals
- Being able to use pronouns in a sentence.
- Being able to fill in an e-mail.
- Use the present simple / pronouns and interrogative words.

Slide 3 - Tekstslide

Present Simple 
  • Wanneer gebruik je de Present Simple?

  • Hoe maak je de Present Simple? 

Slide 4 - Tekstslide

Recap unit 1

Slide 5 - Tekstslide

Present Simple
Wanneer:
Als iets altijd/vaak/soms/nooit gebeurt.
Hoe:
I/you/we/they       walk
he/she/it                walks <-- de -s vorm!
Hulp woorden:
always, never, often, sometimes, in the weekends, every month, on Sundays etc.
Example 
He always does his homework. 
Maggy plays football on Mondays.

Slide 6 - Tekstslide

PRESENT SIMPLE
bevestigend
SHIT-regel
I love Scotland.
She loves Scotland.
ontkennend
don't/doesn't
I don't love Scotland.
She doesn't love Scotland.
vragend
Do/Does vooraan
Do I love Scotland?
Does she love Scotland?

Slide 7 - Tekstslide

Object pronouns = voorwerpsvorm
  stel de vraag :wie (het onderwerp)                                       doet wat ?
    - wat is dan de object pronoun

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Subject vs. Object pronoun
Persoonlijke voornaamwoorden
Subject pronoun vs. Object pronoun
Subject pronoun / Onderwerp
Object pronoun / Lijdend of meewerkend voorwerp
Vaak het onderwerp v/d zin
Vaak het lijdend of meewerkend voorwerp v/d zin.
I
You
She/He/It

We
You
They

She helps me cook dinner.
Me
You
Her/Him/It

Us
You
Them

She helps me cook dinner.

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Interrogative words (vraagwoorden)

Vraagwoorden gebruik je als je een vraag stelt: je zet deze woorden dan ook vaak aan het begin van de zin. 

Ze heten ook wel WH-woorden.
Wie: Who do you like?
Wat: What are your hobbies?
Waar: Where do you live?
Wanneer: When is he coming?
Waarom: Why do you do that?
Hoe: How do you do that?

Welke: Which shirt do you like best, this or that one?
!
Let op! Het woord which gebruik je alleen als er keuzes zijn (deze of deze).

Slide 12 - Tekstslide

Interrogative words
Who =
What =
Where =
When = 
Why =
Which =
How =

Slide 13 - Tekstslide

What have  you learned this lesson?

Slide 14 - Tekstslide

Homework
Study: Words and stones ( sentences) of unit 1 ( page 74 to 76.)

Slide 15 - Tekstslide

https://www.english-room.com/grammar/presentsimple_mc_01.htm

https://agendaweb.org/exercises/grammar/pronouns/object-3

Slide 16 - Tekstslide