Clase 1 22-03 el tiempo / toekomst

¿Qué vamos a hacer hoy?

  • Woordjes (het weer) oefenen
  • klassikaal uitleg ir + a + infinitivo
  • aantal opdrachtjes maken 
  • Tenslotte ga ik jullie kennis toetsen!

1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

¿Qué vamos a hacer hoy?

  • Woordjes (het weer) oefenen
  • klassikaal uitleg ir + a + infinitivo
  • aantal opdrachtjes maken 
  • Tenslotte ga ik jullie kennis toetsen!

Slide 1 - Tekstslide

¿Qué tiempo hace? 
Leerdoelen:
- woordenschat verwerven
m.b.t weersverschijnselen 
- vaste combinaties kennen
(bijv: hace calor en  hay tormenta)
- een nieuw grammaticaal onderdeel juist
kunnen toepassen: ir a + infinitivo!

Slide 2 - Tekstslide

10 min zelfstandig woordjes oefenen
(vocabulario 49 t/m 72) Let op de combinaties, zoals:
  • hace buen tiempo - het is mooi weer
  • hace calor/frío - het is warm/koud
  • hace sol - het is zonning
  • está nublado - het is bewolkt
  • está lloviendo - het is aan het regenen
  • hay tormenta - het onweert
  • hay niebla - het is mistig

Slide 3 - Tekstslide

ir + a + infinitivo
(de toekomende tijd)

Ik ga straks mijn ouders bellen.
    Het gaat vanmiddag mooi weer worden.
    We gaan zo een stukje lopen.

(wanneer iets op korte termijn gaat plaatsvinden)

Slide 4 - Tekstslide

Werkwoord  ir (gaan)
ik ga
voy
jij gaat
vas
hij/zij gaat
va
wij gaan
vamos
jullie gaan
vais
zij gaan
van

Slide 5 - Tekstslide

De vorm
ir + a + hele werkwoord

Vamos a comprar unas camisetas.
We gaan een paar t-shirts kopen.

Juan va a hacer sus deberes.
Juan gaat zijn huiswerk maken.

Slide 6 - Tekstslide

Vul de juiste vorm in van het werkwoord ir (gaan).
  1. Lorena y yo ___________a comer algo antes de ir a la cama.
  2. Los niños_________ a ir de excursión a Toledo.
  3. ¿(Tú) ________ a bailar todos los días a la discoteca?
  4. Yo __________a estudiar todos los días hasta el examen.
  5. ¿Tu hermana y tú _________a asistir al concierto?
  6. Mi amiga_________ a correr en el maratón de febrero.



Slide 7 - Tekstslide

Vul de zinnen aan met de juiste vorm van ir a + infinitivo.
  1. El piso __________(estar) disponible a partir del 1 de marzo.
  2. Juan y Jaime________(convocar)  una huelga.
  3. Ahora mismo _________(yo/hacer)  la maleta.
  4. ¿Cuándo   _________ (tú/limpiar) el polvo de tu habitación?
  5. Mañana _______ (nosotros/vender)   todos los trastos en el mercadillo.
  6. ¿Tú y Marta _________ (viajar) estas Navidades?


Slide 8 - Tekstslide

Hay tormenta
Hace sol
Hay niebla
Hace calor
Está lloviendo
Está nublado

Slide 9 - Sleepvraag

___ buen tiempo
___ frío/calor
___ nublado
___ tormenta
___ niebla
____ lloviendo
Hace
Hace
Está
Hay
Hay
Está

Slide 10 - Sleepvraag

De volgende vragen gaan over de toekomende tijd

ir + a + hele werkwoord

Slide 11 - Tekstslide

Yo (fumar) __________ un cigarro.
A
va a fumar
B
voy fumar a
C
voy a fumo
D
voy a fumar

Slide 12 - Quizvraag

Tú (hablar) _________ con el jefe.
A
vas hablar a
B
a van hablas
C
vas a hablar
D
van a hablar

Slide 13 - Quizvraag

Él (estudiar) _________ para el examen.
A
va a estudiar
B
vais a estudiar
C
a estudiar va
D
van a estudia

Slide 14 - Quizvraag

Paula y yo (comprar) _________ el pan.

Slide 15 - Open vraag

Tú y tu familia (escuchar) ____ la radio.

Slide 16 - Open vraag

Mis hermanas y Juana (preguntar)_____ la hora.

Slide 17 - Open vraag