Les 26 18 april 2026

Les 26 18 april 2026
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsSecondary Education

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Les 26 18 april 2026

Slide 1 - Tekstslide

L26 Wat doen we vandaag? 

Welkom! 

1. Kort debat over koningshuis ter voorbereiding van de schrijfopdracht. 
2. Cursus 6 formuleren §3 Verwijswoorden 
3. Lesafsluiting 

4. 11.15u.: Toets Cursus 7 Spelling - toets werkwoordspelling §7 t/m §10 

Slide 2 - Tekstslide

Koningdag - Kleedjesmarkt 
vrijwilligers gevraagd voor verkoop snoep etc.  

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Video

VO1 Schrijfopdracht Koningshuis
Denk na over de onderstaande stelling:

Het Nederlandse koningshuis moet worden afgeschaft.

Om zelf een mening te vormen kun je de volgende video eens bekijken:
Waarom je voor of tegen een koning kunt zijn - wat denk jij?


Welke argumenten kun jij bedenken vóór en tegen de stelling. Schrijf ze hieronder op. 

Slide 5 - Tekstslide

Cursus 6 formuleren §3 Verwijswoorden 

Slide 6 - Tekstslide

Verwijswoorden
De chimpansee is de bekendste mensaap. De chimpansee is bijna net zo groot als de mens, maar een stuk lichter, behaarder en iets minder intelligent. De chimpansee is wel sterker en de chimpansee kan veel beter klimmen. Toch blijft een chimpansee bij voorkeur op de grond. 

Slide 7 - Tekstslide

Verwijswoorden
  • Doel: voorkomen dat je een zelfstandig naamwoord steeds herhaalt
  • Een verwijswoord verwijst terug naar een woord dat eerder genoemd is, of nog komt.

Slide 8 - Tekstslide

Welk verwijswoord?
  • Dat is afhankelijk van het woordgeslacht van het zelfstandig naamwoord waarnaar het verwijswoord terugwijst.
  • Mannelijk (m), vrouwelijk (v) of onzijdig (o)
  • Mannelijk en vrouwelijk = lidwoord de
  • Onzijdig = lidwoord het

  • Bij twijfel: zoek het woord op in het woordenboek!

Slide 9 - Tekstslide

Woordgeslacht
  • Zelfstandige naamwoorden: fiets, boom, huis, ...
  • Mannelijk, vrouwelijk of onzijdig
  • Heeft meestal niets te maken met de betekenis van het woord!
Opzoeken in het woordenboek/ internet
  1.  Online woordenboek of  vandale.nl
  2.  Kijk naar de letter die achter het woord staat: dat is het woordgeslacht
m = mannelijk
 v  = vrouwelijk
 o  = onzijdig

Slide 10 - Tekstslide

Welk verwijswoord?
Enkelvoud (m)
Hij, hem, zijn
Deze, die
Enkelvoud (v)
Zij, ze, haar
Deze, die
Enkelvoud (o)
Het, zijn
Dit, dat
Meervoud
Zij, ze, hen, hun
Deze, die

Slide 11 - Tekstslide

DEZE, DIE, DIT, DAT
Dit zijn verwijswoorden.
Ezelsbruggetje:
  • dezE en diE gebruik je bij dE-woorden.

  • diT en daT gebruik je bij heT-woorden.



Slide 12 - Tekstslide

De vorige afspraak met de kapper ging niet door, maar
[...] moet echt doorgaan.
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 13 - Quizvraag

In Hengelo vond een ernstig misdrijf plaats, [...]
nooit werd opgelost.
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 14 - Quizvraag

In Hengelo vond een ernstig misdrijf plaats, [...]
nooit werd opgelost.
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 15 - Quizvraag

Bodhi verlangt alweer naar de zomervakantie, maar [...]
is voorlopig nog niet in zicht.
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 16 - Quizvraag

Quinn heeft een oude lp van The Doors
[...] hij nog dagelijks draait.
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 17 - Quizvraag

Vorige maand bezocht mijn zus uit Amerika ons en
[...] was echt een verrassing.
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 18 - Quizvraag

Zit die blauwe tuinstoel lekker of wil je liever in
[...] rode zitten?
A
deze
B
die
C
dit
D
dat

Slide 19 - Quizvraag

Lesafsluiting
Volgende week is het koningsdag! Dan begint de les een half uur eerder dan normaal (om 10u). Tot volgende week op de Madelief. 

 Het huiswerk voor volgende week is: 
▪ Lees in je leesboek.
▪ Cursus 6 formuleren §3 - maak opdracht 1 en 5C.
▪ Schrijfopdracht. Welke argumenten kun jij bedenken vóór en tegen de stelling? Schrijf ze op het opdrachtformulier (zie e-mail). 
 

 

Tot volgende week op st Conleth's


  
  

Slide 20 - Tekstslide

Meervoud (mv) en enkelvoud (ev)
De laatste mammoeten op aarde stierven… 
De laatste van de mammoeten op aarde stierf… 

De helft van alle varkens werd… 
De groep van honden was… 
Het aantal varkens is… 

Slide 21 - Tekstslide

tegenwoordige tijd
ik : ik-vorm                                    zwem                      word
jij : ik-vorm + t                              zwemt                     wordt
hij/zij/het: ik-vorm + t              zwemt                     word
wij: infinitief                                 zwemmen             worden
jullie: infinitief                             zwemmen             worden
zij: infinitief                                  zwemmen              worden

Slide 22 - Tekstslide

verleden tijd zwakke werkwoorden
ik : ik-vorm + de/te                      beloofde              bakte
jij : ik-vorm + de/te                      beloofde              bakte
hij/zij/het: ik-vorm + de/te      beloofde               bakte
wij: ik-vorm + den/ten               beloofden            bakten
jullie: ik-vorm + den/ten           beloofden            bakten
zij: ik-vorm + den/ten                beloofden             bakten

Slide 23 - Tekstslide