lesson 2

open your book p.179
Ex 1+2+3+4
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

open your book p.179
Ex 1+2+3+4

Slide 1 - Tekstslide

WORD ORDER
PLACE
TIME

Slide 2 - Tekstslide

GRAMMAR goal:
Word order: adverbs of place and time
 
Jij weet straks  hoe je adverbs van tijd en plaats in een zin moet plaatsen!

Slide 3 - Tekstslide

WORD ORDER
WIE DOET WAT WAAR WANNEER
SUBJECT VERB OBJECT PLACE TIME

Slide 4 - Tekstslide

Adverbs of place and time
Adverb of place = plaatsbepaling    (at school, in England)
Adverb of time = tijdsbepaling          (at 4 o'clock, tomorrow)


Slide 5 - Tekstslide

Adverbs of place and time
Komen in het Engels meestal aan het eind van de zin:

He is going to give a concert in Houston    (place)
He is going to give a concert tomorrow       (time)

Slide 6 - Tekstslide

Adverbs of place and time
Als het moment wanneer het gebeurt belangrijk is, kun je de tijdsbepaling (adverb of time) helemaal vooraan in de zin zetten:

Tomorrow he is going to give a concert.

Slide 7 - Tekstslide

Adverbs of place and time
Wanneer plaats en tijd allebei in de zin staan, komt eerst plaats en dan tijd:

He is going to give a concert in Houston tomorrow

Slide 8 - Tekstslide

! Donkey bridge !
De P van Place (of plaats) komt voor de T van Time (of tijd) in het alfabet!

They left for France two days ago.
Helen  arrived  at her appartment at ten o'clock  last Sunday. 

Slide 9 - Tekstslide

PLACE
TIME
at home
on Thursdays
in the morning
on the road
in Ireland
next summer
in the school
tomorrow
at 3 o'clock

Slide 10 - Sleepvraag

Welke zin klopt?
A
I will tomorrow go to my new school.
B
Tomorrow to my new school I will go.
C
I will go to my new school tomorrow.
D
I will go tomorrow to my new school.

Slide 11 - Quizvraag

Welke zin klopt?
A
Last summer I went to Australia.
B
I went last summer to Australia.
C
Australia I went to last summer.
D
I went to Australia last summer.

Slide 12 - Quizvraag

Welke zin klopt?
A
He works every day at the bakery.
B
Every day at the bakery he works.
C
At the bakery he works every day.
D
He works at the bakery every day.

Slide 13 - Quizvraag

What is the correct word order?
A
Wie doet wat, waar, wanneer?
B
Wat doet wie, wanneer, waar?
C
Waar doet wat, wie, Wanneer?
D
Wanneer doet wie, wat, waar?

Slide 14 - Quizvraag

What is the correct word order?
A
See you next Monday at the Google Meet.
B
See you at the Google Meet next Monday.

Slide 15 - Quizvraag

1
2
3
4
5
Kevin
watches
in his room

every night

television

Slide 16 - Sleepvraag

wie
doet
wat
waar
wanneer
The parents
bring
to football training

every Sunday

their son

Slide 17 - Sleepvraag

open your book p.181
Ex 5+6


Slide 18 - Tekstslide