L17 Zinsdelen

L17 Zinsdelen
p. 185
1 / 49
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsSecundair onderwijs

In deze les zitten 49 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

L17 Zinsdelen
p. 185

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oefening 1
onderwerp - persoonsvorm - gezegde

p. 185

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies






Duid aan: onderwerp - persoonsvorm
timer
2:00

Slide 6 - Tekstslide

De persoonsvorm is een vervoegde vorm van het werkwoord. Het is de werkwoordsvorm die hoort bij het onderwerp van de zin.

Slide 7 - Tekstslide

nadruk op ACTIES (WWG)

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oefening 1c: Geef een zin met een naamwoordelijk gezegde.

Slide 10 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Dat staat in het reglement van het tornooi.
A
NWG
B
WWG

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hermelien keek twijfelachtig naar het bord dat hij haar voorhield.
A
NWG
B
WWG

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ze zouden de Cruciatusvloek nooit gebruiken tegen de kampioenen.
A
NWG
B
WWG

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Koekeroekus was opgetogen van opwinding bij het voorzicht dat hij een brief mocht bezorgen.
A
NWG
B
WWG

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Oefenen maar!
Maak op Smartschool de volgende oefeningen:
- STAP 1: ONDERWERP & PERSOONSVORM
- STAP 2: WWG OF NWG
timer
30:00
Schema zinsontleding O - PV - WWG/NWG

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oefening 2
lijdend voorwerp

p. 186

Slide 16 - Tekstslide

Het lijdend voorwerp is degene die of datgene wat de werking van het werkwoord direct ondergaat.

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke zinsdelen kunnen een lijdend voorwerp (LV) zijn?
timer
1:00

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke zinsdelen kunnen een lijdend voorwerp (LV) zijn?

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kies 2 woorden uit de oefening.
Maak 2 zinnen waarbij je steeds dat zinsdeel als LV gebruikt.

Slide 21 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Oefening 2
meewerkend voorwerp

p. 189

Slide 22 - Tekstslide

Het lijdend voorwerp is degene die of datgene wat de werking van het werkwoord direct ondergaat.

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Meewerkend voorwerp?

De leerkracht gaf aan de leerlingen extra uitleg over de oefening.

A
over de oefening
B
aan de leerlingen
C
de leerlingen

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Meewerkend voorwerp?

Mijn broer stuurde mij gisteren een grappig bericht.

A
mij
B
mijn broer
C
een grappig bericht

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Meewerkend voorwerp?

De coach vertelde aan het team het goede nieuws.

A
het goede nieuws
B
de coach
C
aan het team

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Meewerkend voorwerp?

Sarah bakte haar grootouders een lekkere taart voor hun jubileum.

A
haar grootouders
B
een lekkere taart
C
Sarah

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Meewerkend voorwerp?

De buurman leende ons zijn ladder voor het schilderwerk.

A
de buurman
B
ons
C
voor het schilderwerk

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Oefenen maar!
Maak op Smartschool de volgende oefeningen:
- STAP 3: LIJDEND VOORWERP
- STAP 4: LIJDEND EN MEEWERKEND VOORWERP.
timer
30:00

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oefening 3
bepaling

p. 187

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 33 - Tekstslide

een woord of zinsdeel dat kan worden weggelaten zonder de zin ongrammaticaal te maken, en zonder de betekenis wezenlijk te veranderen.

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oefenen maar!
Maak op Smartschool de volgende oefeningen:
- STAP 5: BIJWOORDELIJKE BEPALING
timer
15:00

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hybride lesdag 26/05
Oefentoets 1 & 2 op smartschool

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Volledig stappenplan
Dit schema vind je ook terug op Smartschool 
(documenten >> basis leerstof).

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

NWG = ww + naamwoordelijk deel

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 42 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 44 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 45 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 46 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

stappenplan zinsontleding
  1. onderwerp (O) --> wie/wat + pv?
  2. WWG (actie) of NWG ('=' of ZWoBBeLS)?
  3. lijdend voorwerp (LV) --> wie/wat + wwg + o?
  4. meewerkend voorwerp (MV) --> aan wie/wat + pv + o? 
  5. bepaling (B) --> waar/wanneer/hoe/... + pv + o?

! geen LV in NWG --> naamwoordelijk deel (NWD)

Slide 47 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 48 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Toets
Oefeningen op de toets:  zinsdelen aanduiden, juiste stelling aankruisen, zelf een tekstje schrijven (p. 193)

Hoe voorbereiden?
  1. Studeer het stappenplan van buiten: begrijp wat je leert!
  2. Oefenen: Bookwidgets (LV, B, zelftest)

Slide 49 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies