cross

Present Simple + (bevestigend)

The boy [to eat] pizza every day
A
eat
B
eats
C
eating
D
is eating
1 / 38
volgende
Slide 1: Quizvraag
Engelsmavo, havo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

The boy [to eat] pizza every day
A
eat
B
eats
C
eating
D
is eating

Slide 1 - Quizvraag

I [to be] very happy
A
am
B
is
C
are

Slide 2 - Quizvraag

My sisters always [to run] on the field
A
run
B
runs
C
running
D
are running

Slide 3 - Quizvraag

The present simple positve (+)
De tegenwoordige tijd (bevestigend)

Slide 4 - Tekstslide

The Present Simple (to be)

Het werkwoord to be heeft een eigen vorm. Deze moet je uit je hoofd leren.



I am (ik ben)

You are (jij bent / jullie zijn)

We are (wij zijn)

They are (zij zijn)

He is  (hij is)

She is (zij is)

It is   (het is)

Slide 5 - Tekstslide

Kies de juiste vorm van het werkwoord:
I (to be)
A
am
B
is
C
are
D
be

Slide 6 - Quizvraag

Kies de juiste vorm van het werkwoord:
John (to be)
A
am
B
is
C
are
D
be

Slide 7 - Quizvraag

Kies de juiste vorm van het werkwoord:
My parents (to be)
A
am
B
is
C
are
D
be

Slide 8 - Quizvraag

The Present Simple (to have got)

Het werkwoord to have heeft een eigen vorm. Deze moet je uit je hoofd leren.


I have 

You have 

We have 

They have 

He has 

She has 

It has 

Slide 9 - Tekstslide

Kies de juiste vorm van het werkwoord:
I (to have got)
A
have got
B
have
C
has got
D
has

Slide 10 - Quizvraag

The Present Simple

De present simple heeft 2 vormen:

Het hele werkwoord zonder 'to'

to play --> play

Het hele werkwoord+s of +es

to play --> plays / to do --> does

Je gebruikt het hele werkwoord bij  I, you, we, they

Je gebruikt werkwoord+s en werwoord+es bij he, she, it

De SHIT-regel: bij She, He en It gebruik je stam+(e)s

Slide 11 - Tekstslide

De stam +es

werkwoorden met een s-klank

(kiss, catch, fish)

He catches a pokemon every day.


werkwoorden die eindigen op de letter o

(do, go)

She always goes to school by bus.


werkwoorden die eindigen op een medeklinker + y krijgen -ies

(try, study)

It tries to get away, but it fails.

De stam +s

Alle overige werkwoorden

(play, run, swim, eat)

John runs to his mother.

Sarah eats a lime for breakfast.

the cat toys with its prey

Slide 12 - Tekstslide

To be

zijn

I am

He is

She is

It is

We are

You are

They are

to have got

hebben

I have 

He has 

She has 

It has 

We have 

You have 

They have 

to eat

eten

I eat

He eats

She eats

It eats

We eat

You eat

They eat

to do

doen

I do

he does

she does

it does

we do

you do

they do

Slide 13 - Tekstslide

To buy

Kopen

I buy

he buys

she buys

it buys

we buy

you buy

they buy


to try

proberen

I try

he tries

she tries

it tries

we try

you try

they try

to catch

vangen

I catch

he catches

she catches

it catches

we catch

you catch

they catch


Slide 14 - Tekstslide

Wanneer gebruik je het?

  • Feiten
  • My sister studies French
  • Gewoontes
  • I always brush my teeth after dinner
  • Regelmaat
  • Swallows fly south in winter
    My

    Slide 15 - Tekstslide

    Opdracht 1
    Zet de zinnen in de Present Simple
    Typ de hele zin inclusief hoofdletters en leestekens

    Slide 16 - Tekstslide

    She (to work) on a farm.

    Slide 17 - Open vraag

    My sister (to kiss) her boyfriend

    Slide 18 - Open vraag

    Jeremy (to catch) pokemon.

    Slide 19 - Open vraag

    Tijs and Koen (to do) their homework on Sunday.

    Slide 20 - Open vraag

    The company (to advertise) a lot on TV.

    Slide 21 - Open vraag

    My computer (to crash) every day.

    Slide 22 - Open vraag

    My sisters (to fail) their test.

    Slide 23 - Open vraag

    Youri (to fish) every Saturday.

    Slide 24 - Open vraag

    Dikra (to help) Nellycha with her homework.

    Slide 25 - Open vraag

    Mees and Noa (to hurry) home after school.

    Slide 26 - Open vraag

    Opdracht 2
    Zet de delen van de zin in de juiste volgorde & in de present simple
    Denk aan hoofdletters en leestekens

    Slide 27 - Tekstslide

    finish / your test / early / you / always

    Slide 28 - Open vraag

    Iron / my mum / every weekend / our clothes

    Slide 29 - Open vraag

    always / it / in / the / holidays / rain

    Slide 30 - Open vraag

    The cute girl / at / the boy / smile

    Slide 31 - Open vraag

    my father / ever week / work / until / eight p.m.

    Slide 32 - Open vraag

    Exercise 3 (extra challenge)
    Vertaal de zinnen naar het Engels.
    Let op dat je de Present Simple gebruikt.
    Let op hoofdletters en leestekens.

    Slide 33 - Tekstslide

    Wij werken iedere zondag in Breda.

    Slide 34 - Open vraag

    Mijn zus gaat altijd naar school.

    Slide 35 - Open vraag

    Demir maakt vaak zijn huiswerk.

    Slide 36 - Open vraag

    Sem koopt iedere maand een nieuw spel.

    Slide 37 - Open vraag

    Rachida kijkt op maandag naar het nieuws.

    Slide 38 - Open vraag