4.3 Eukaryoten

4.3 Eukaryoten
1. Wat betekend chemo-autotroof?
2. Wat is de stof van de celwanden van bacteriën?
3. Wat voor nut heeft de plasmide van de bacteriën?
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

4.3 Eukaryoten
1. Wat betekend chemo-autotroof?
2. Wat is de stof van de celwanden van bacteriën?
3. Wat voor nut heeft de plasmide van de bacteriën?

Slide 1 - Tekstslide

Na deze lessen kun je:
  • prokaryoten en eukaryoten uit elkaar houden
  • wat kenmerken van eukaryoten zijn
  • benoemen welke groepen eukaryoten er zijn

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

- Welk organel stelt 2 voor? - Van welk celtype ('rijk') is deze cel?

Slide 4 - Open vraag

Het mitochondrium speelt een belangrijke rol bij vrijmaken van energie. Daartoe worden een organische en anorganische stof opgenomen in de cel.
Welke anorganische stof wordt opgenomen en met welk transporttype?
A
water, met diffusie
B
water, met actief transport
C
zuurstof, met diffusie
D
zuurstof, met actief transport

Slide 5 - Quizvraag


Rechts zie je de 4 rijken staan. Sleep het juiste rijk naar de bijbehorende cel.
Dier

Plant
Schimmel
Bacterie

Slide 6 - Sleepvraag

Prokaryoot, kan autotroof zijn. 
Geen celwand, tussen 10-100µm lang
Wel vacuole en celkern, heterotroof
Met celkern, maakt eigen organische stoffen uit anorganische stoffen
Dier

Plant
Schimmel
Bacterie

Slide 7 - Sleepvraag

Prokaryoten
Eukaryoten
Bacteriën
Archaea
Eencelligen
Schimmels
Planten
Dieren
gisten
cyanobacterien

Slide 8 - Sleepvraag

Eukaryoten
Bestaan uit o.a.:
celkern, andere organellen (bijv mitochondrieën, golgi-appartaat en soms chloroplasten)

  • schimmels
  • planten
  • dieren

Slide 9 - Tekstslide

Eukaryoten
  • rijken:  schimmels, planten, dieren, eencellige eukaryoten
  • wel een celkern en organellen
  • met een celwand: schimmels en planten
  • zonder celwand: dieren en eencellige eukaryoten
  • autotroof of heterotroof

Slide 10 - Tekstslide

Schimmels
  • heterotroof
  • geen chlorofyl 
  • afbraak organische stoffen
  • Soorten:
    - gisten (eencellig)
    - meercellige schimmels (meestal met schimmeldraden (hyfen)) en sporen (soms bijv. in paddestoelen))
  • Positief; bereiding van voedsel (kaas, sojasaus, bier etc, brooddeeg, penicilli etc.)
  • Negatief; Voedselbedref, zwemmerseczeem etc.

Slide 11 - Tekstslide

Braindump
  1. Bestudeer Afbeelding 16
  2. Sla het boek dicht
  3. Schrijf zoveel mogelijk op van wat je hebt onthouden
  4. Vergelijk je resultaat met je buurman

timer
3:00

Slide 12 - Tekstslide

planten
  • autotroof (chloroplasten)
  • cellulose
  • Indeling groepen op basis van:
    - aantal cellen
    - voortplanting
    - intern transport

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Braindump
  1. Bestudeer Afbeelding 16
  2. Sla het boek dicht
  3. Schrijf zoveel mogelijk op van wat je hebt onthouden
  4. Vergelijk je resultaat met je buurman

timer
3:00

Slide 18 - Tekstslide

  • geen celwand
  • heterotroof (geen chlorofyl) 
  • (bijna) allemaal diploïd
  • criteria indeling gebeurd op basis van:
    - een of meercelligheid
    - symmetrie
    - soort skelet
    - resultaten moleculair onderzoek

Slide 19 - Tekstslide

Braindump
  1. Bestudeer Afbeelding 18
  2. Sla het boek dicht
  3. Schrijf zoveel mogelijk op van wat je hebt onthouden
  4. Vergelijk je resultaat met je buurman

timer
3:00

Slide 20 - Tekstslide

  1. Eencelligen
  2. Sponzen
  3. Holtedieren
  4. Platwormen
  5.  Rondwormen
  6. Ringwormen
  7. Weekdieren
  8. Geleedpotigen
  9. Stekelhuidigen
  10. Gewervelden

Slide 21 - Tekstslide

Lezen blz. 190 en 191
Tekstbegripvragen:
1. Kun je een reden bedenken waarom biologen de amoebe onder het dierenrijk hebben gerekend?
2. Waarom kun je amoeben goed vergelijken met witte bloedcellen?
3.  Waar komt de naam van de geleedpotigen vandaan?
4.  Uit welke stof bestaat het pantser van geleedpotigen? Waar ben je deze stof eerder tegen gekomen?
5.  Hoe noemen we een volwassen insect? 
timer
7:00

Slide 22 - Tekstslide

Wie hebben geen celwand?
A
schimmels
B
alle eukaryoten
C
alle prokaryoten
D
dieren

Slide 23 - Quizvraag

Wat onderscheidt planten van schimmels?
A
celwand
B
sporen
C
chloroplasten
D
wortels

Slide 24 - Quizvraag

schimmel
plant

Slide 25 - Sleepvraag

Welke drie hoofdgroepen eukaryoten maken we?
A
Bacteriën, dieren en planten.
B
Planten, schimmels en dieren.
C
Dieren, virussen en schimmels.
D
Planten dieren en prokaryoten.

Slide 26 - Quizvraag

eencellige
spons
holtedier
platworm
rondworm
ringworm
weekdier
geleedpotige
stekelhuidige
gewervelde
asymetrisch en geen skelet
asymmetrisch en zit vast aan zeebodem
radiaal symmetrsich met tentakels
bilateraal symmetrisch vaak parasitair
bilateraal symmetrisch met ronde dwarsdoorsnede vaak parasitair
bilateraal symmetrisch dwarsdoorsnede is rond en lichaam bestaat uit segmenten
bilateraal symmetrisch met vaak exo-skelet (huis of schelp)
bilateraal symmetrisch met exoskelet van chitine
radiaal symmetrisch met een huid bedekt met stekels of knobbels
bilateraal symmetrisch met endoskelet (geraamte)

Slide 27 - Sleepvraag

eencellige
spons
holtedier
platworm
rondworm
ringworm
weekdier
geleedpotige
stekelhuidige
gewervelde

Slide 28 - Sleepvraag


Wat is een pantoffeldiertje?
A
Een eencellige eukaryoot
B
een bacterie
C
Een schimmel die vooral in pantoffels en schoenen woont

Slide 29 - Quizvraag

Het Pantoffeldiertje

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide