1HV 5.9 Spelling: Alles

1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Hoeveel 'taalvoutjes'
vind je
in dit gedicht?

Slide 2 - Tekstslide

  
ik vind dichten best wel leuk
en ik kan het best wel goed
maar ik erger me aan de mensen
die mij vertellen hoe 'het moet'
doe gewoon eens niet de hele tijd
alsof je het beter weet dan ik
besef goed dat dit mijn werk is
niet gewoon iets voor erbij
maar ik neem het hen niet kwalijk
want men bedoelt het niet verkeerd
en het kan misschien zelfs zijn
dat ik van jouw kritiek wat leer.


Slide 3 - Tekstslide

Wat weet je na de les over §4.9 en §5.9 Spelling?

- Terugblik: vd en verkleinwoorden

- tegenwoordig deelwoord
- bijvoeglijk naamwoord
- trappen van vergelijking
- als/dan


Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Expertgroepen  opdracht 11 §4.9 Grammatica Spelling







  1. Kom tot overeenstemming over het goede antwoord. 
  2. Deze presenteren jullie aan de klas.
  3. groep 1 = a, groep 2 = b, groep 3 = c, groep 4 = d, groep 5 = e, groep 6 = f, groep 7 = g, 8 = h
timer
0:02

Slide 6 - Tekstslide

Het tegenwoordig deelwoord (td)
Ook wel onvoltooid deelwoord (od) genoemd.
De handeling in de zin is nog bezig, nog niet voltooid.

Hele werkwoord + d
Schreeuwend  liep hij naar buiten.
Klagend verlaat de conciërge het lokaal.

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

Het tegenwoordig deelwoord = onvoltooid deelwoord

Schrijf achter het hele werkwoord een -d.

Er staat altijd meerdere werkwoorden in de zin bij een td.

De actie in de zin is nog bezig, dus niet voltooid ;). 


Zij zwaaide lachend naar de chauffeur.

De tiener fietst fluitend naar de orthodontist.

Oma doet lopend haar boodschappen.

Knippend kapte de knappe kapper Kareltje.


Slide 9 - Tekstslide



Wat is een tegenwoordig deelwoord?
A
lopen
B
lopend
C
gelopen
D
liepen

Slide 10 - Quizvraag



Wat is het tegenwoordig deelwoord van 'appen'?
A
append
B
apen
C
appde
D
geappt

Slide 11 - Quizvraag

3 soorten bijvoeglijk naamwoorden, 
alle regels blz. 136
Het bijvoeglijk naamwoord staat voor óf achter het zelfstandig naamwoord: 
de rode trui, de trui is rood.

- Het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord: 
de aluminium schaal, de houten kast.

- Het bijvoeglijk naamwoord dat is afgeleid van een infinitief,  voltooid of onvoltooid deelwoord: 
het te vieren feest, de gezochte crimineel, de lachende puber

Slide 12 - Tekstslide

De meeste zelfstandige naamwoorden zet je in het meervoud door er -(e)n, -s, of -eren achter te zetten. Vaak kun je het meervoud gewoon opschrijven zoals je het hoort. Sommige zelfstandige naamwoorden hebben een bijzondere meervoudsvorm. In dit overzicht zie je zulke woorden met hun spellingsregel.

Slide 13 - Tekstslide

Schrijf het bn afgeleid van een vd zo kort mogelijk, 
tenzij het voor de uitspraak een mede- of klinkerverdubbeling nodig is.
Van werkwoorden kun je bijvoeglijk naamwoorden maken. Je gebruikt hiervoor het voltooid deelwoord.

Slide 14 - Tekstslide



Deze ..... broek mag je niet samen
met de rode trui wassen.
A
katoene
B
katoenen
C
kattoene
D
kattoenen

Slide 15 - Quizvraag


Het schuifje van het ..... toilet stond op rood.
A
bezette
B
bezete
C
bezet
D
besete

Slide 16 - Quizvraag

Trappen van vergelijking, blz. 139
Je stelt iets vast.
Je maakt het groter.
Je overtreft alles.

Slide 17 - Tekstslide


Uitzonderingen:

goed/beter/best

veel/meer/meest

weinig/minder/minst

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Video

= vergelijking
= tegenstelling

Slide 21 - Tekstslide

Gebruik dan ...
- bij een vergrotende trap: meer dan, kleiner dan
- bij ander, andere en anders: Het is anders dan ik dacht.

Gebruik als ...
- bij net zo + even: net zo groot als, even mooi als
- bij niet zo: niet zo groot als
- bij drie keer, vier keer zo: vier keer zo groot als.

Slide 22 - Tekstslide



Vandaag ben ik even slim ...



A
als hem
B
als hij
C
dan hem
D
dan hij

Slide 23 - Quizvraag

Wat?
Paragraaf 4.9 Spelling nakijken?
Paragraaf 5.9 Spelling: opdrachten 4, 6, 8, 10, 11ab maken
Hoe?
Zelf stil of samen fluisteren
Tijd?
Tot leseinde
Hulp?
Brein, boek, buur, bureau
Resultaat?
toets
Leerdoel?
Tegenwoordig deelwoord, trappen van vergelijking, als/dan
Klaar?
Taken, lezen

Slide 24 - Tekstslide

Huiswerk volgende les

Slide 25 - Tekstslide

Vul het bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord in.

De ................. (verwoesten) huizen
A
vewoestende
B
verwoeste
C
verwoesde
D
verwoesden

Slide 26 - Quizvraag

Vul het bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord in.

De ...... (redden) zwemmer
A
redde
B
geredde
C
gerede
D
verredde

Slide 27 - Quizvraag

Wat weet je nu?
Hoe ging het in de klas?

td spellen
bn spellen
trappen van vergelijking
als/dan


Slide 28 - Tekstslide

Sponsorloop
Big Tree Nursery

Slide 29 - Tekstslide

Einde van de les

Slide 30 - Tekstslide

Benoem de zinsdelen:
Nikita / heeft / in de dierentuin / een lange tijd / de apen / bekeken.

Slide 31 - Open vraag




Nikita / heeft / in de dierentuin / een lange tijd / de apen / bekeken. 
     o           wg            bwb                              bwb                  lv                   wg

Slide 32 - Tekstslide

Raadsel!
Wat is er aan de hand?

Slide 33 - Tekstslide

Raadsel!
Bert en Anneke liggen dood op de vloer van de slaapkamer. Het raam staat open en op de vloer ligt een bal, een plas water en gebroken glas. Wat is er gebeurd ?

Slide 34 - Tekstslide

Opdracht - solo of duo
Lees de 19 dicteewoorden. Ken je de woorden? Hoe heet het teken dat in deze woorden voorkomt? Wat valt je op? Zie je een patroon?
A4'tje
EHBO'er
's morgens
sms'je
's avonds
's-Gravenhage
65+'er
tv's
BN'er
's-Hertogenbosch
's nachts
vwo'er
pdf 's
ict'er
pc's
wc'tje
VVD'er
's middags
gsm's

Slide 35 - Tekstslide