9.3 Eiwitsynthese

9.3 Eiwitsynthese
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
Biologie / VerzorgingMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

9.3 Eiwitsynthese

Slide 1 - Tekstslide

Begrippen
RNA
mRNA
Transcriptie
Translatie
Genetische code
Codon
tRNA

Slide 2 - Tekstslide

Eiwitten
Bestaan uit een lange keten van aminozuren.
Er bestaan 20 verschillende soorten aminozuren (Binas)

De code voor de volgorde van aminozuren staat vast in de nucleotidenvolgorde van het RNA (volgorde AUCG). (Binas)

De code voor 1 aminozuur zijn 3 opeenvolgende nucleotiden: codon
(zie blz 71)

Slide 3 - Tekstslide

RNA
DNA kan worden gekopieerd tot RNA --> Transcriptie (overschrijven)

RNA kan de celkern wel uit

Wat zijn de verschillen tussen RNA en DNA?

Slide 4 - Tekstslide

RNA
RNA (ribonucleïnezuur) bestaat uit één keten nucleotiden:
  • A
  • U
  • C
  • G

Slide 5 - Tekstslide

stap 1: messenger RNA (m-RNA) maken
messenger RNA  is een "boodschappenlijstje"
Let op!       m-RNA bestaat maar uit 1 streng
m-RNA heeft geen thymine maar uracil (BINAS)

Slide 6 - Tekstslide

Transcriptie
DNA als template gebruiken om pre-mRNA te maken

  • RNA-polymerase leest de template streng af en bindt nucleotiden. 
  • Hulp nodig van transcriptiefactoren.

Slide 7 - Tekstslide

Transcriptie
  • Transcriptie =vorming van messenger- RNA (mRNA)
  • Nodig omdat DNA de celkern niet kan verlaten
  • Op plekken waar genen áan'staan
  • transcriptie vs replicatie

Slide 8 - Tekstslide

3 letters mRNA: codon, AUG startcodon, 

Slide 9 - Tekstslide

Translatie
Tussen transcriptie en translatie:
  1. mRNA verlaat de celkern en gaat naar de ribosomen
  2. Koppeling aan ribosomen

Translatie = vertaling van mRNA leidt tot eiwitvorming 
(ketting van aminozuren) aan het oppervlak van de 
ribosomen (buiten de kern)
  • Codon: 
  • t-RNA: houdt aminozuur vast en bindt deze aan keten
  • Aminozuren

Slide 10 - Tekstslide

  • De volgorde van nucleotiden van een stuk DNA bepaalt de volgorde van aminozuren die een eiwit zullen vormen.
  • RNA is een tijdelijke 'spiegelafdruk' (transcriptie) van dat stuk DNA.
  • Dit RNA wordt afgelezen (translatie) door een ribosoom.
  • Een triplet van nucleotiden = codon = info voor 1 aminozuur.
Translatie van het RNA
start

Slide 11 - Tekstslide

Drie manieren van voorkomen vorming RNA of eiwitsynthese:

Slide 12 - Tekstslide

Transcriptie
Translatie

Slide 13 - Tekstslide

tRNA
  • Enkelstrengs RNA-molecuul
  • CCA aan 3'-uiteinde kan aminozuur binden
  • Drie nucleotiden (onderin) vormen anticodon, binden aan codon mRNA

Slide 14 - Tekstslide

Even oefenen!

Slide 15 - Tekstslide

RNA is DNA met een andere
A
suiker
B
fosfaatgroep
C
stikstofbase
D
alle drie anders

Slide 16 - Quizvraag

Waar aan kan je een RNA sequentie herkennen?
A
Aanwezigheid van Adenine
B
Aanwezigheid van Cytosine
C
Aanwezigheid van Thymine
D
Aanwezigheid van Uracil

Slide 17 - Quizvraag

Welk enzym is betrokken bij DNA-transcriptie?
A
Ligase
B
Helicase
C
RNA-polymerase
D
DNA-polymerase

Slide 18 - Quizvraag

Hoeveel verschillende codons zijn er?
A
3
B
4
C
20
D
64

Slide 19 - Quizvraag

Transcriptie vindt plaatst in:
A
celkern
B
Golgi apparaat
C
ribosoom
D
endoplasmatisch reticulum

Slide 20 - Quizvraag

Translatie is het proces waarbij ... wordt omgezet naar ... :
A
DNA -> mRNA
B
mRNA -> Eiwit
C
mRNA -> DNA
D
Eiwit -> mRNA

Slide 21 - Quizvraag

DNA
Hoe werkt de eiwitsynthese?
RNA
eiwit
ribosoom
transcriptie
translatie

Slide 22 - Sleepvraag

sleep de termen naar de juiste plaats in de afbeelding
DNA
eiwit
aminozuur
ribosoom
mRNA
codon

Slide 23 - Sleepvraag

Wat is transcriptie
A
Het verdubbelen van DNA.
B
Het maken van een RNA kopie van DNA.
C
Het maken van een DNA kopie van RNA.
D
Het verdubbelen van RNA

Slide 24 - Quizvraag

Het proces waarbij RNA word afgeschreven van DNA heet:
A
Transcriptie
B
Translatie
C
Replicatie
D
Synthese

Slide 25 - Quizvraag

Voor welk aminozuur bevat het codon ACG de code?
A
serine
B
cysteïne
C
tryptofaan
D
threonine

Slide 26 - Quizvraag

Bouwstenen
Molecuul
Eiwit
RNA
DNA
Nucleotiden ATGC
Nucleotiden AUGC
Aminozuren

Slide 27 - Sleepvraag

Wat is de functie van de ribosomen bij de translatie?
A
Het vertalen van RNA naar een aminozuurketen
B
Het vertalen van RNA naar DNA
C
Het vertalen van DNA naar RNA
D
Het vertalen van een aminozuurketen naar DNA

Slide 28 - Quizvraag

Wat begrijp ik al van deze basisstof?

Slide 29 - Open vraag

Wat vind ik nog moeilijk van deze bassistof?

Slide 30 - Open vraag

Wat ga ik doen om de stof nog beter te begrijpen/eigen te maken?

Slide 31 - Open vraag