Blok 1 les 7 Neurologische aandoeningen deel 2

Neurologische aandoeningen deel 2

1 / 48
volgende
Slide 1: Slide
newEditorZorg en WelzijnMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 48 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Neurologische aandoeningen deel 2

De les bundelt vijf thema's uit het hoofdstuk: Parkinson, duizeligheid, dementie/delier, medicatiebewaking en afleverinformatie. De centrale lijn is herkennen, behandelen en veilig begeleiden in de apotheek.

Leerdoel

Ik kan kenmerken, behandeling en aandachtspunten bij neurologische aandoeningen herkennen en uitleggen welke rol medicatiebewaking en goede voorlichting daarbij spelen.

Deze slide heeft geen instructies

Welke woorden koppel jij aan neurologische aandoeningen?

Gebruik de woordwolk om voorkennis op te halen. Vraag kort door op woorden als trillen, geheugen, duizeligheid, medicatie en veiligheid.

Ziekte van Parkinson

De ziekte van Parkinson is een neurologische aandoening met vooral problemen in de motoriek.


Volgens de lesstof ligt de oorzaak vermoedelijk in een stoornis in de aanmaak van een stof die nodig is voor een goed werkend autonoom zenuwstelsel. Daardoor raakt het evenwicht tussen het sympathische en parasympathische deel verstoord.

Houd de uitleg dicht bij de aangeleverde tekst, ook al is de moderne medische verklaring specifieker. Voor deze les is het belangrijk dat studenten het verstoorde evenwicht en de gevolgen herkennen.

Kenmerkende klachten

  • bewegingsarmoede

  • verhoogde spierspanning

  • beven van de handen (tremor)

  • maskergelaat

  • monotone, steeds zachtere spraak

Benadruk dat niet iedere patiënt alle klachten heeft en dat de ernst per persoon verschilt.

Verloop van de klachten

  • klachten zijn niet altijd aanwezig

  • ernst kan per dag verschillen

  • ook binnen één dag kunnen grote schommelingen optreden

  • naast lichamelijke klachten komen psychische klachten vaak voor

  • depressie komt relatief vaak voor

Maak duidelijk dat het wisselende beeld invloed heeft op dagelijks functioneren en op de beoordeling van effect van medicatie.

Behandeling bij Parkinson

Genezing is nog niet mogelijk. De behandeling is gericht op het verminderen van verschijnselen.


De keuze voor geneesmiddelen hangt af van:

  • het stadium van de aandoening

  • de leeftijd van de patiënt

  • de sociale omstandigheden


Vaak wordt een patiëntgebonden behandelschema gebruikt.

Noem dat het ziekteproces vaak doorgaat ondanks behandeling, waardoor men in de praktijk soms 'achter de feiten aanloopt'.

Levodopa als belangrijkste middel

  • de effectiefste behandeling is levodopa

  • levodopa is een bouwstof voor de benodigde overdrachtsstof

  • levodopa wordt gecombineerd met een enzymremmer

  • daardoor bereikt meer levodopa de hersenen

  • bijwerkingen kunnen minder hevig zijn

De tekst noemt gewone tabletten en tabletten met vertraagde afgifte. Dat onderscheid is belangrijk voor de bloedspiegel en voor correcte aflevering.

Andere middelen en bijwerkingen

  • amantadine: netto meer overdrachtsstof beschikbaar

  • ropinirol, pramipexol, pergolide: vergroten de hoeveelheid overdrachtsstof

  • biperideen remt het parasympathische zenuwstelsel

  • parasympathicolytica zijn door bijwerkingen geen eerste keus

Belangrijke bijwerkingen uit de tekst: onwillekeurige bewegingen, hoofdpijn, spierkrampen, verwardheid, slaperigheid, droge mond, obstipatie, plasproblemen en wazig zien. Ropinirol en pramipexol kunnen ook bij restless legs syndrome worden gebruikt.

Wat is het belangrijkste doel van behandeling bij Parkinson?

A

Genezing bereiken

B

Verschijnselen verminderen

C

Infecties voorkomen

D

Bloeddruk verlagen

De lesstof benadrukt dat genezing nog niet mogelijk is; de behandeling is gericht op vermindering van klachten en wordt patiëntgebonden opgebouwd.

Parkinson samengevat

Bij Parkinson is de motoriek verstoord. De effectiefste behandeling is levodopa, vaak samen met een enzymremmer zodat meer middel de hersenen bereikt.

motoriek
levodopa
enzymremmer
tremor
cinnarizine
parasympathicolyticum
betahistine

Alle drie de ingevulde termen zijn kernbegrippen uit de Parkinson-slides.

Waarom is Parkinson soms lastig te beoordelen?

Bespreek dat het klachtenpatroon kan wisselen per dag en zelfs binnen één dag, en dat dit invloed heeft op functioneren en beoordeling van medicatie-effect.

Duizeligheid

Bij duizeligheid of vertigo heeft iemand het gevoel dat hijzelf of de omgeving draait. Daarom wordt ook gesproken van draaiduizeligheid.


De oorzaak ligt vermoedelijk in een stoornis van de evenwichtszin.

Deze slide heeft geen instructies

Waarom duizeligheid lastig is

  • er zijn meer dan honderd aandoeningen waarbij duizeligheid voorkomt

  • de oorzaak kan lichamelijk of psychisch zijn

  • voor de arts is het vaak een puzzel

  • ongeveer de helft van de patiënten is ouder dan 65 jaar

Benadruk het verschil tussen klacht en diagnose: duizeligheid is een symptoom, geen ziekte op zichzelf.

Klachten en beloop

  • klachten kunnen acuut, aanvalsgewijs of geleidelijk ontstaan

  • duizeligheid kan ook chronisch aanwezig blijven

  • vaak samen met:

- misselijkheid

- hoofdpijn

- oorsuizen

- braken

- dubbelzien

De ervaring is vaak bedreigend voor de patiënt, omdat er een beweging wordt gevoeld die er in werkelijkheid niet is.

Behandeling van duizeligheid

Omdat de oorzaak vaak niet snel gevonden wordt, begint de behandeling meestal symptomatisch.


De huisarts behandelt dit meestal eerst zelf. Pas bij ernstige beperkingen in het dagelijks functioneren of aanwijzingen voor een neurologische aandoening wordt een specialist betrokken.

Noem dat er een NHG-standaard is, zodat studenten zien dat de eerste lijn hierin een duidelijke rol heeft.

Middelen bij duizeligheid

  • cinnarizine wordt het meest gebruikt

  • werkt dempend op de hersenen

  • bijwerkingen: slaperigheid, duizeligheid, droge mond

  • betahistine is een ander preparaat

  • bijwerkingen: hoofdpijn en misselijkheid

Volgens de tekst is de precieze werking van deze middelen onbekend en zijn de klinische gegevens voor betahistine onvoldoende relevant.

Waarom start men bij duizeligheid vaak symptomatisch?

A

De klacht is zeldzaam

B

De oorzaak is vaak snel duidelijk

C

De oorzaak is vaak lastig te vinden

D

Een specialist ziet iedereen eerst

Dit toetst het onderscheid tussen klacht en oorzaak: duizeligheid is vaak een symptoom met veel mogelijke oorzaken.

Duizeligheid en behandeling

Bij vertigo voelt iemand een draaiende beweging. De huisarts start meestal met een symptomatische behandeling. Een veelgebruikt middel is cinnarizine.

vertigo
symptomatische
cinnarizine
delirium
chronische
haloperidol
levodopa

De blanks volgen direct uit de slides over duizeligheid: begrip, aanpak en veelgebruikt middel.

Dementie en delirium

Dementie en delirium lijken soms op elkaar, maar het beloop en de oorzaak verschillen duidelijk.


Bij dementie is er meestal een chronische en langzaam toenemende achteruitgang. Bij een delirium ontstaat de verwardheid vaak plotseling.

Deze openingsslide zet het contrast neer dat in de volgende slides wordt uitgewerkt.

Dementie: kenmerken

  • komt vaker voor door de toename van oudere mensen

  • vooral bij mensen boven 70 jaar

  • toenemend geheugenverlies, vooral kortetermijngeheugen

  • achteruitgang van leervermogen

  • verandering in persoonlijkheid

Deze slide heeft geen instructies

Gevolgen van dementie

  • mensen vergeten alledaagse dingen, zoals een pannetje op het vuur

  • zelfstandig wonen wordt steeds moeilijker

  • in een later stadium herkennen patiënten soms partner of kinderen niet meer

  • herinneringen uit de vroege jeugd kunnen soms langer bewaard blijven

Gebruik concrete voorbeelden uit de tekst om de impact op dagelijks leven duidelijk te maken.

Alzheimer en behandeling

  • de belangrijkste oorzaak van dementie is de ziekte van Alzheimer

  • vermoedelijk gaan hersencellen verloren of werkt hersenweefsel minder goed

  • middelen kunnen mogelijk de achteruitgang vertragen

  • ook gedragsproblemen kunnen soms wat afnemen

De tekst noemt rivastigmine, donepezil, galantamine en memantine. Het praktische effect in het dagelijks gebruik is volgens de bron nog onduidelijk en de middelen zijn duur.

Delirium herkennen

  • verwardheid en desoriëntatie staan op de voorgrond

  • begint vaak met een plotselinge gedragsverandering

  • kan verward worden met beginnende dementie

  • onderliggende lichamelijke oorzaak moet worden gezocht

Deze slide heeft geen instructies

Oorzaken van delirium

  • bij ouderen: uitdroging, geneesmiddelvergiftiging, infectie met koorts, heupfractuur

  • bij volwassenen van 30 tot 60 jaar: vaak alcoholvergiftiging of vergiftiging met andere stoffen

  • na behandeling van de oorzaak verdwijnen de klachten meestal ook

  • een delirium kan toch maanden duren

Noem dat mensen zich achteraf soms niet meer herinneren hoe ernstig de verwardheid was.

Welk verschil past bij delirium in plaats van dementie?

A

Sluipend begin

B

Vooral kort geheugenverlies

C

Plots gedragsverandering

D

Langzame achteruitgang

De distractors horen juist meer bij dementie. Delirium herken je hier aan het acute, plotselinge begin.

Dementie en delirium vergelijken

Bij dementie is de achteruitgang meestal chronisch en langzaam toenemend. De belangrijkste oorzaak is vaak Alzheimer. Een delirium begint juist vaak plotseling.

chronisch
Alzheimer
delirium
tijdelijk
vertigo
haloperidol
triptanen

Laat studenten benoemen dat beloop en oorzaak helpen om beide beelden uit elkaar te houden.

Waar let je als eerste op bij een delirium?

Verwachte elementen: bij delirium moet de onderliggende lichamelijke oorzaak worden gezocht en behandeld; na behandeling verdwijnen verwardheid en onrust meestal ook.

Medicatiebewaking

Bij receptinvoer moet je elke contra-indicatie, interactie en intolerantie per situatie en per gebruiker beoordelen.


Als het apotheekinformatiesysteem onvoldoende houvast geeft, raadpleeg je naslagwerken en overleg je met de apotheker.

De tekst noemt specifiek Commentaren Medicatiebewaking en de KNMP Kennisbank als bronnen.

Epilepsie als contra-indicatie

  • sommige geneesmiddelen verlagen de drempel voor een epileptische aanval

  • voorbeelden: sommige antibiotica, antidepressiva, antipsychotica en bepaalde antimalariamiddelen

  • interacties met anti-epileptica kunnen de bloedspiegel verlagen

  • daardoor kan de kans op een aanval toenemen

Bij een relevante interactie moet contact opgenomen worden met de voorschrijver.

Migraine en triptanen

  • bij migraine worden vaak triptanen gebruikt

  • niet zomaar gebruiken bij ernstige hart- en vaatziekten

  • ook opletten bij een doorgemaakt hartinfarct, beroerte of matig tot ernstig verhoogde bloeddruk

  • soms is dosisaanpassing nodig

Interacties met migrainemiddelen zijn zeldzaam, maar een signaal uit het systeem moet wel zorgvuldig beoordeeld worden.

Parkinson en haloperidol

De ziekte van Parkinson is een contra-indicatie voor het gebruik van haloperidol.


Haloperidol mag niet worden gebruikt, omdat het de verschijnselen van Parkinson kan verergeren.

Dit is een belangrijk, concreet medicatiebewakingssignaal dat studenten goed moeten onthouden.

Welk middel is gecontra-indiceerd bij Parkinson?

A

Betahistine

B

Haloperidol

C

Donepezil

D

Cinnarizine

Belangrijk concreet medicatiebewakingssignaal: haloperidol kan de verschijnselen van Parkinson verergeren.

Medicatiebewaking in de apotheek

Bij receptinvoer beoordeel je elke contra-indicatie en interactie per situatie. Bij epilepsie kunnen sommige middelen de drempel voor een aanval verlagen.

contra-indicatie
interactie
drempel
bloedspiegel
motoriek
vertigo
enzymremmer

Controleer of studenten begrijpen dat bewaking altijd patiëntspecifiek is.

Wat lijkt jou het belangrijkste bij medicatiebewaking?

1

Contra-indicatie checken

2

Interactie beoordelen

3

Voorschrijver bellen

4

Naslagwerk raadplegen

Deze slide heeft geen instructies

Afleverinformatie

Goede voorlichting helpt de patiënt om geneesmiddelen juist te gebruiken en alert te zijn op werking en bijwerkingen.


De apothekersassistent draagt daaraan bij door te verwijzen naar de gebruiksinstructie en de bijsluiter en ruimte te geven voor vragen.

Deze slide heeft geen instructies

Chronisch gebruik

  • bij neurologische aandoeningen is medicatiegebruik vaak chronisch

  • wijs patiënten daar zeker bij tweede uitgifte op

  • regelmatig gebruik is belangrijk voor een goede bloedspiegel

  • een goede bloedspiegel geeft meer kans op voldoende effect

Leg de link met therapietrouw en met schommelingen in effect, vooral bij Parkinson.

Slikproblemen en Parkinson

  • veel patiënten met Parkinson krijgen slikklachten

  • soms lijkt malen van medicatie nodig

  • controleer altijd of dat zonder problemen kan

  • raadpleeg hiervoor naslagwerken, zoals Oralia

Benadruk dat verschillende toedieningsvormen, zoals vertraagde afgifte, niet zomaar gemalen mogen worden.

Parkinsonmedicatie niet zomaar staken

Bij terminale zorg wordt chronische medicatie vaak gestopt. Voor middelen tegen Parkinson geldt een uitzondering: zolang iemand nog enigszins kan slikken, worden deze middelen meestal doorgegeven.


Na staken kan een freeze ontstaan: het hele lichaam verstijft.

Maak de impact concreet: dit is zeer belastend voor patiënt en mantelzorgers.

Rijvaardigheid

Voor alle middelen uit dit hoofdstuk geldt dat ze het concentratievermogen en daarmee de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden.


Vaak verbetert dit na verloop van tijd, maar vooral aan het begin van de behandeling is het advies vaak om niet auto te rijden.

Deze slide heeft geen instructies

Waarom mag Parkinsonmedicatie vaak niet zomaar gestopt worden?

A

Kans op freeze

B

Meer eetlust

C

Sneller herstel

D

Minder bijwerkingen

Dit sluit aan op de terminale zorg-slide: stoppen kan leiden tot ernstige verstijving.

Belangrijke afleverinformatie

Bij neurologische aandoeningen is gebruik vaak chronisch. Regelmatig gebruik helpt een goede bloedspiegel te krijgen. Veel middelen kunnen ook de rijvaardigheid beïnvloeden.

chronisch
bloedspiegel
rijvaardigheid
infectie
delirium
tremor
ontsteking

Koppel dit aan therapietrouw, voorlichting en veiligheidsadvies bij de start van de behandeling.

Welke voorlichting geef jij bij deze middelen?

Mogelijke elementen: uitleg over gebruik, werking en bijwerkingen; verwijzen naar bijsluiter; ruimte voor vragen; wijzen op chronisch gebruik; controleren of malen mag; advies over autorijden.

Wat is één belangrijk inzicht uit deze les voor jou?

Reflectievraag zonder goed of fout. Laat studenten één concreet leerpunt noemen.

Welk onderdeel vond je het lastigst om te begrijpen?

Reflectievraag over het leerproces. Gebruik antwoorden om te bepalen wat herhaald moet worden.

Welk begrip uit deze les wil jij onthouden?

Laat studenten kernwoorden kiezen zoals levodopa, delirium, contra-indicatie, bloedspiegel of freeze en vraag enkele studenten waarom juist dat begrip bleef hangen.

Begrippenlijst

Parkinson - neurologische aandoening met vooral stoornissen in de motoriek

Tremor - beven, vaak zichtbaar aan de handen

Levodopa - bouwstof voor een overdrachtsstof die bij Parkinson wordt gebruikt

Vertigo - draaiduizeligheid, gevoel dat jezelf of de omgeving draait

Dementie - chronische, langzaam toenemende achteruitgang van geheugen en functioneren

Delirium - plots ontstane verwardheid en desoriëntatie

Contra-indicatie - reden waarom een geneesmiddel niet of alleen met extra voorzichtigheid gebruikt mag worden

Deze slide heeft geen instructies

Begrippenlijst

Interactie - beïnvloeding van de werking van een geneesmiddel door een ander middel

Bloedspiegel - hoeveelheid van een geneesmiddel in het bloed

Parasympathicolyticum - middel dat het parasympathische zenuwstelsel remt

Amantadine - middel dat bij Parkinson soms wordt gebruikt

Cinnarizine - veelgebruikt middel bij duizeligheidsklachten

Triptanen - geneesmiddelen die worden gebruikt bij migraine

Freeze - toestand waarbij iemand met Parkinson sterk verstijft, bijvoorbeeld na staken van medicatie

Deze slide heeft geen instructies