Oefenles toets Periode 2

Oefenles Periode 2
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Oefenles Periode 2

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

¿Qué significa SER?
A
zijn
B
hebben
C
zich bevinden
D
willen

Slide 5 - Quizvraag

Wanneer gebruik je SER?
timer
3:00

Slide 6 - Open vraag

¿Qué significa ESTAR?
A
zijn/staan
B
willen
C
zich bevinden/liggen
D
kunnen

Slide 7 - Quizvraag

Wanneer gebruik je ESTAR?
timer
3:00

Slide 8 - Open vraag

Maak een zin met HAY?

Slide 9 - Open vraag

Noem 3 kleuren met vertaling (voorbeeld: rojo=rood)

Slide 10 - Woordweb

timer
2:00
Schrijf een zin waar je een kleur gebruikt.

Slide 11 - Woordweb

Het werkwoord 'tener' (=hebben) 
Het werkwoord 'tener' gebruik je bij:

1) bezit van iets
 --> Tengo dos hermanos

2) het vertellen/vragen naar leeftijd
--> ¿Cuántos años tienes?

Slide 12 - Tekstslide

¿Qué significa 'tener que'?

Slide 13 - Open vraag

Extra oefenen met 'ser', 'estar' & 'tener' (=hebben)

1. (Yo) ________  estudiante.
2. Barcelona _________  en España 
3. Juan y Carlos __________  que trabajar mañana por la noche.
4. ¿De dónde (= Van waar) ________ tú?  _____ de ..... (noem een land.
5. (Nosotros) ___________ estudiantes inteligentes.
6. Yo ____________ dieciocho años.
7. ¿(Tú) _____________ un coche  azúl? Sí, __________ un coche azúl.



timer
5:00

Slide 14 - Tekstslide

Oefenen met 'ser' & 'tener

1. (Yo) soy estudiante.
2. Barcelona es en España.
3. Juan y Carlos tienen que trabajar mañana por la noche.
4. ¿De dónde (= Van waar) eres (tú)?             Soy de Argentina.
5. (Nosotros) somos estudiantes de español.
6. Yo tengo dieciocho años.
7. ¿(Tú) tienes un coche azúl?                  Sí, tengo un coche azúl.



Slide 15 - Tekstslide

timer
2:00
Los días de la semana son ...

Slide 16 - Woordweb

timer
3:00
Los meses del año son ....

Slide 17 - Woordweb

Slide 18 - Tekstslide

Schrijf de datum van vandaag op.
timer
2:00

Slide 19 - Open vraag

Wat zijn de drie uitgangen van de spaanse werkwoorden?

Slide 20 - Open vraag

Trabajar = werken
Stap 1:
de laatste twee letters haal je weg --> -ar
 habl (dit is de stam)
Stap 2:
achter habl- komen 
zes verschillende uitgangen

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Werkwoorden op -ar, -er en -ir
comprar
kopen
aprender
leren
leer 
lezen
vivir
leven/wonen
escribir
schrijven
Voorbeeldzinnen:
Mi mamá compra pan francés.
Aprendo español en Zadkine.
Leemos muchos libros de economía.
Mi hermano vive en una casa nueva.
Los gerentes escriben correos electrónicos a las empresas de transporte público.

Slide 23 - Tekstslide

timer
3:00
Vervoeg de zes verschillende vormen van het werkwoord 'estudiar' (=studeren)

Slide 24 - Woordweb

timer
3:00
Vervoeg de vormen van tú, él en ellos van het werkwoord 'leer' (=lezen)

Slide 25 - Woordweb

timer
3:00
Vervoeg de vormen van yo, usted en nosotros van het werkwoord 'escribir' (=schrijven)

Slide 26 - Woordweb

Slide 27 - Tekstslide

timer
3:00
Schrijf in woorden de getalen 87, 135 en 59 op.

Slide 28 - Woordweb

Van waar? (¿De dónde eres? Waar kom jij vandaan?
A=naar. Waar naar toe? ¿Adónde viajas de vacacioens?
Para=voor

Slide 29 - Tekstslide

timer
5:00
Schrijf een vraag met 'cómo' en een met 'por qué'.

Slide 30 - Woordweb

Slide 31 - Tekstslide

Vertaal de zin: 'Ik vind de italianse pasta lekker.'
timer
2:00

Slide 32 - Open vraag

timer
2:00
Vertaal de zin: 'De studenten houden niet van de boeken.'

Slide 33 - Woordweb

¿Cuánto cuesta la botella de agua? (hele zin)
2,70 
timer
3:00

Slide 34 - Open vraag

Schrijf 'antónimos' op

Slide 35 - Woordweb

Slide 36 - Tekstslide