Communicatie - Week 2 Matthijs

Communicatie 

Lesweek 2

Matthijs Vredeveld

1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
CommunicatieMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Communicatie 

Lesweek 2

Matthijs Vredeveld

Slide 1 - Tekstslide

Les 3
Donderdag 

Slide 2 - Tekstslide

Lesplanning 
- Terugblik vorige les
- Theorie hoofdstuk 1.3 t/m 1.5
- Zelfstandig werken
Huiswerk gemaakt? 1 tm 6? 

Slide 3 - Tekstslide

Welke 4 communicatie stijlen zijn er?
Analyser en welke andere 3?

Slide 4 - Open vraag

Terugblik.

Jop vraagt aan Jelle of hij de deur dicht wil doen. Het doel van Jop is dat de deur wordt dicht gedaan.

Over welk communicatie aspect spreken we hier?
A
Inhoudelijk
B
Relationeel
C
Appellerend
D
Expressief

Slide 5 - Quizvraag

Een artikel op Facebook is een voorbeeld van:
A
Verbale communicatie
B
Non verbale communicatie

Slide 6 - Quizvraag

Slide 7 - Video

Communicatie - Hoofdstuk 1

Effectieve communicatie: de boodschap wordt ontvangen (begrepen) zoals bedoeld door de zender. 

Miscommunicatie: de boodschap wordt niet ontvangen (begrepen) zoals het is bedoeld door de zender.
- Dit kan ontstaan door ruis
 

Slide 8 - Tekstslide

Welke voorbeelden van ruis kan je noemen?

Slide 9 - Woordweb

Communicatie - Hoofdstuk 1
Oorzaken van ruis:

1. De ontvanger kan de boodschap niet ontvangen door bijv. een    Auditieve beperking.
2. De ontvanger begrijpt de woorden van de zender niet.     Verstandelijke beperking
3. De zender praat te zacht.
4. De ontvanger raakt afgeleid door omgevingsfactoren.      ADHD 
5. De ontvanger raakt afgeleid door interne factoren.     Autisme 
6. De ontvanger interpreteert de boodschap verkeerd waardoor de boodschap niet goed overkomt.     Gedragsproblematiek 

Slide 10 - Tekstslide

Je client heeft autisme en je zegt 'ik kom er zo aan'!

Vraag: Wat versta jij onder 'zo'?

Slide 11 - Open vraag

Als ik om 08.00 uur moet beginnen moet ik 'belachelijk vroeg' opstaan.

Vraag: Welk tijdstip versta jij onder 'belachelijk vroeg' opstaan?

Slide 12 - Open vraag

Ik heb een dure auto gekocht.

Vraag: Vanaf welk bedrag vind jij een auto duur?

Slide 13 - Open vraag

Opdracht
Doel: Inleiding theorie

Wat ga je doen?
Je werkt in tweetallen. Je neemt jouw droomhuis in gedachten, je vertelt niet hoe deze er uit ziet.
De ander stelt 5 OPEN vragen om uit te zoeken hoe het huis van de ander er uit zal zien.
Diegene die de vragen stelt, tekent op basis van de antwoorden het droomhuis.
Je geeft niet aan of het wel of niet klopt, dit komt later.

Zodra je klaar bent wissel je om. 

Slide 14 - Tekstslide

Communicatie - Hoofdstuk 1
Terugkoppeling vorige opdracht. 

- Wat valt op?
- Jullie antwoorden bij de vorige opdracht hebben te maken met jullie referentiekader

Referentiekader = het geheel van denkbeelden, overtuigingen, gewoonten, waarden en normen die iemand heeft opgebouwd in zijn leven en van waaruit hij de wereld om zich heen interpreteert en beoordeelt. 

Bij een (groot) verschil in referentiekader heb je beiden een andere voorstelling van wat er gezegd wordt. Iedereen communiceert dus via zijn/ haar eigen referentiekader.

Hoe ga je dan om met verschillen  binnen een referentiekader? 

Slide 15 - Tekstslide


Wat is het eerste dat je ziet in het plaatje rechts?
A
Oude vrouw
B
Jonge vrouw

Slide 16 - Quizvraag


Wat is het eerste dat je ziet in het plaatje rechts?
A
Naakte vrouw
B
Man met een bril en baard

Slide 17 - Quizvraag

Communicatie - Hoofdstuk 1
De vorige opdracht heeft te maken met waarnemen en interpreteren (referentiekader).



- Noem een situatie waarin het waarnemen en interpreteren bij jou mis ging. 
- Wat heb je hierdoor geleerd voor de toekomst?

Slide 18 - Tekstslide

Aan de slag!
Maken in Thieme tm opdracht 15 


Slide 19 - Tekstslide

Les 4
Vrijdag

Slide 20 - Tekstslide

Lesplanning 
- Terugblik vorige les
- Theorie hoofdstuk 1.4+1.5
- Zelfstandig werken

Slide 21 - Tekstslide

Inhoudelijk, relationeel, expressief en appellerend aspect 
Inhoudelijk aspect
Dit gaat over de feitelijke informatie die wordt gegeven. 

Expressief aspect
Dit gaat over wat de boodschap zegt over de zender zelf: gevoelens, gedachten, houding of mening.

Slide 22 - Tekstslide

Relationele aspect: 
Dit gaat over hoe de zender tegen de ontvanger aankijkt en wat dat zegt over hun onderlinge relatie. 'ik wil die ander helpen'

Appelerend aspect: 
Dit gaat over wat de zender wil dat de ontvanger doet, denkt of voelt.
'het tocht hier' 

Slide 23 - Tekstslide

Alles in 1 voorbeeld
"Je telefoon ligt nog op tafel."

Inhoudelijk: Er ligt een telefoon op tafel.
Expressief: Ik stoor me er misschien aan of ik vind het belangrijk.
Relationeel: Ik spreek jou hierop aan als begeleider.
Appellerend: Berg je telefoon op.

Slide 24 - Tekstslide

Coderen en decoderen
Coderen = een boodschap verzenden.
Decoderen = een boodschap ontvangen en interpreteren.

Coderen: Je zegt: "Ik vind dat je vandaag erg goed hebt samengewerkt."

Decoderen: De client hoort de boodschap en denkt: "Mijn begeleider is tevreden over mij."


Slide 25 - Tekstslide

Onderuitgezakt in je stoel zitten is een voorbeeld van ....
A
Verbale communicatie
B
Non-verbale communicatie
C

Slide 26 - Quizvraag

Welke stelling klopt er niet?
A
Je referentiekader wordt bepaald door je waarden en normen
B
Mensen uit hetzelfde gezin hebben hetzelfde referentiekader

Slide 27 - Quizvraag

Wat is het verschil tussen waarnemen en interpreteren?

Slide 28 - Open vraag

Wat is het verschil tussen interne en externe ruis?

Slide 29 - Open vraag

Communicatie - Hoofdstuk 1
Feedback= terugkoppelen van informatie van de ene persoon naar de andere, waarbij duidelijk gemaakt wordt hoe de boodschap/ gedrag overkomt.


Geef je:
-Bewust en onbewust, spontaan of in een reactie op een vraag, formeel of informeel, mondeling of schriftelijk, doormiddel van een compliment, excuses of bedankje

Doelen van feedback: 
- Je leert over jezelf, krijgt inzicht in hoe anderen jouw ervaren en je kan hierdoor ontwikkelen.
- Ontwikkelen van een goede beroepshouding en zelfbeeld
- Het helpt de ander beter begrijpen
- Feedback maakt duidelijk welk gedrag wel gewenst is én welk gedrag niet.
- .. Wat nog meer?

Slide 30 - Tekstslide

Wat is het verschil tussen feedback en kritiek?

Slide 31 - Open vraag

Slide 32 - Video

Communicatie - Hoofdstuk 1
Positieve feedback  =
Feedback waarmee de zender aangeeft dat hij het gedrag van de ander graag gehandhaafd ziet.

Negatieve feedback, oftewel opbouwende feedback =
Feedback waarmee de zender aangeeft dat hij het benoemde gedrag graag veranderd ziet.

- Valkuil: Negatieve feedback zien als kritiek waardoor je niet in staat bent om er wat van te leren.


Slide 33 - Tekstslide

Communicatie - Hoofdstuk 1
Feedback geven:
1. Beschrijf het gedrag dat je zelf hebt gezien/ waargenomen.
2. Gebruik een ik-boodschap
3. Vertel wat het effect is van het gedrag
4. Geef de ander de ruimte om te reageren
5. Beschrijf het gewenste gedrag

Feedback ontvangen:
1. Luister goed naar de ander. Laat de ander uitpraten en ga niet direct in de verdediging. 
2. Vraag om verduidelijking als je iets niet begrijpt of herkent. 
3. Geef aan wat je van de feedback vindt zodra de ander is uitgesprsoken. 
4. Als je de feedback niet herkent, kan je dit aangeven en vragen of de ander jou er op kan wijzen indien het opnieuw voorkomt. 

Slide 34 - Tekstslide

Jij bent begonnen bij je PEP plek. Je ontvangt feedback waar jij je niet in herkent. Jouw begeleidster geeft bijvoorbeeld aan dat je de opdrachten niet goed uitvoert en dat je een nonchalante houding hebt.

Hoe zou jij hier op reageren?

Slide 35 - Open vraag

Communicatie - Hoofdstuk 1
Verdedigingsreacties bij feedback:
1. Ontkenning
2. Verdringing
3. Rationalisatie
4. Projectie 

Deze reacties zijn niet effectief. 
Blijf feedback altijd ontvangen aan de hand van voorgaande regels, hoe lastig dit ook is! 


- Koppel de reacties vanuit de voorgaande vraag aan de verdedigingsreacties. 

Slide 36 - Tekstslide

Positief roddelen
Doel: Je kan via de feedbackregels feedback geven.


Wat: Er neemt telkens één student ongevraagd plaats in de ‘luisterstoel’. De groepsgenoten geven om de beurt aan wat hij/ zij complimentwaardig vindt aan de student in de luisterstoel: wat je aan hem/ haar bewonderd, wat je knap vindt etc. Richt je op allerlei dingen: school, privé, uiterlijk, eigenschappen, prestaties etc.


Tijd: 60 Seconden positief roddelen per persoon en dan doordraaien! 
Doordraaien op signaal van de docent. 

Slide 37 - Tekstslide

Aan de slag!

Digitale leeromgeving
- Licentie Communicatie & Ondersteunen, module 1, hoofdstuk 1
Opdrachten niveau 4: opdracht 11 t/m 19

Voor de volgende les een persoonlijk eigendom meenemen!

Slide 38 - Tekstslide

Communicatie - Hoofdstuk 1
Opdracht: 
- Je ontvangt van de docent een briefje met daarop de naam van de medestudent.
- Je gaat deze student observeren en aan het einde van de les geef je deze student feedback.
- Je geeft positieve én opbouwende feedback aan de hand van de vijf regels:

1. Beschrijf het gedrag dat je zelf hebt gezien/ waargenomen.
2. Gebruik een ik-boodschap
3. Vertel wat het effect is van het gedrag
4. Geef de ander de ruimte om te reageren
5. Beschrijf het gewenste gedrag

Slide 39 - Tekstslide

Terugkoppeling
Nabespreking
- Wie heb je geobserveerd?
- Wat is je feedback?
Je geeft positieve én opbouwende feedback aan de hand van de vijf regels:

1. Beschrijf het gedrag dat je zelf hebt gezien/ waargenomen.
2. Gebruik een ik-boodschap
3. Vertel wat het effect is van het gedrag
4. Geef de ander de ruimte om te reageren
5. Beschrijf het gewenste gedrag

Slide 40 - Tekstslide