Yo tengo dieciocho años (ik ben achttien jaar)
Tú tienes dos hermanos (jij hebt twee broers)
Ella tiene un gato (zij heeft een kat)
Nosotros tenemos un libro (wij hebben een boek)
Vosotros
tenéis un perro (jullie
hebben een hond)
Ellos tienen una relación (zij hebben een relatie)