1 tegen 100 2V

1 tegen 100
wie wil de uitdager zijn?
2 hulplijnen:
1 fout antwoord weg
1 hulplijn gebruiken

1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
Zorg en WelzijnMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 23 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

1 tegen 100
wie wil de uitdager zijn?
2 hulplijnen:
1 fout antwoord weg
1 hulplijn gebruiken

Slide 1 - Tekstslide

spelregels
Eén persoon gaat voor in de klas zitten. De rest  gaat staan.
Ik stelt een vraag met drie meerkeuze antwoorden (A, B of C). De leerlingen in de klas steken het kaartje omhoog waarvan zij denken dat dit het juiste antwoord is.
Jullie houden het kaartje met de lege kant naar voren zodat de hoofdspeler voor de klas niets kan zien.
De leerling geeft het antwoord. Ik laat weten of dit het juiste antwoord is.
Heeft de leerling het juiste antwoord gegeven dan blijft deze zitten.
De leerlingen draaien hun bordje nu om. Wie een fout antwoord heeft gegeven gaat zitten.
Wie het goed heeft, gaat door naar de volgende ronde. Dit gaat door totdat alle leerlingen zijn weggespeeld.
Als de hoofdrolspeler een fout antwoord geeft, mag een andere leerling in het midden gaan zitten

Slide 2 - Tekstslide

Wie gaat er als hoofdspeler?

Slide 3 - Tekstslide

vraag 1
Hoeveel procent van de mensen ontwaakt uit een coma?
A: 15%
B: 50%
C: 65%

Slide 4 - Tekstslide

vraag 2
Waar staat ALS voor?
A: Amyotrofische laterale sclerose
B: Atypische laterale sclerose
C: Amyotrofische liberale sclerose

Slide 5 - Tekstslide

vraag 3
Wat is waar over een dwarslaesie?
A: Dwarslaesie ontstaat door een beschadiging of aandoening in de hersenstam
B: Dwarslaesie leidt tot uitval van motoriek en gevoel boven de beschadiging
C: Bij dwarslaesie is de zenuwgeleiding altijd definitief onderbroken

Slide 6 - Tekstslide

vraag 4
Wat is de oorzaak van een traumatisch letsel?
A: Het letsel is ontstaan door een traumatische gebeurtenis
B: Het letsel is ontstaan door geweld van buitenaf
C: Het letsel is ontstaan door inwendige bloeding

Slide 7 - Tekstslide

vraag 5
Waarom wordt ALS een genadeloze ziekte genoemd?
A: omdat de gemiddelde levensverwachting 1-2 jaar is
B: omdat de gemiddelde levensverwachting 3-5 jaar is
c: omdat de gemiddelde levensverwachting 5-10 jaar is

Slide 8 - Tekstslide

vraag 6
Hoeveel mensen in Nederland krijgen per jaar een dwarslaesie?
A: zo'n 200 mensen
B: zo'n 300 mensen
c: zo'n 400 mensen

Slide 9 - Tekstslide

vraag 7
Wat is de langste tijd dat iemand in coma heeft gelegen?
A: 25 jaar en 3 dagen
B: 10 jaar en 115 dagen
C: 37 jaar en 111 dagen

Slide 10 - Tekstslide

vraag 8
Wat is een niet traumatisch letsel?
A: letsel wat door geweld van buitenaf veroorzaakt is
B: letsel wat ontstaat door een oorzaak van binnenuit
C: letsel wat veroorzaakt wordt door een breuk

Slide 11 - Tekstslide

vraag 9
Wat betekend een kunstmatige coma?
A: als je in een diepe slaap beland
B: Als je bewusteloos raakt na een ongeval
C: Als deze doelbewust in stand gebracht wordt

Slide 12 - Tekstslide

vraag 10
Wat zijn kenmerkende symptomen van ALS in de beginfase?
A: vermoeidheid, spraakproblemen, moeilijkheden bij lopen
B: fasculaties, spierkrampen, moeite met fijne motoriek
C: krachtverlies in armen, moeite met fijne motoriek, problemen bij slikken

Slide 13 - Tekstslide

vraag 11
Welke discipline verteld de diagnose NAH?
A: Arts
b: Neuroloog
c: Psycholoog

Slide 14 - Tekstslide

vraag 12
Wat is een oorzaak van dwarslaesie?
A: Een niet aangeboren afwijking
B: Een operatie aan de hersenen
C: Een aangeboren afwijking

Slide 15 - Tekstslide

vraag 13
Geeft een hersenschudding blijvende schade?
A: ja dit geeft blijvende schade
B: nee dit is een tijdelijk letsel
C:dit geeft een blijvend letsel

Slide 16 - Tekstslide

vraag 14
Wat is het verschil tussen hersendood en coma?
A: Bij hersendood is nog wel elektrische activiteit in de hersenen. Bij coma is er geen elektrische activiteit
B: Bij hersendood is er geen elektrische activiteit in de hersenen die kan ook niet meer terugkomen. Bij coma is er nog wel sprake van elektrische activiteit in de hersenen.
C: Bij zowel coma als hersendood is er geen elektrische activiteit meer verschil is hoe snel het vast te stellen is.

Slide 17 - Tekstslide

vraag 15
Wat is MND? (onderwerp ALS)
A: Een overkoepelende naam voor ziekten waarbij de motorische zenuwcellen worden aangetast
B: Erfelijke ALS
C: Een vorm van ALS waarbij motorische zenuwcellen in het ruggenmerg uitvallen

Slide 18 - Tekstslide

vraag 16
Piet heeft thoracaal een dwarslaesie, deze bevind zich dus:
A: in de nel
B: in de lenden
C: in de borst

Slide 19 - Tekstslide

vraag 17
Heeft het nut om met iemand te praten die in coma ligt?
A:Nee daar krijgt de comapatiënt niets van mee
B: Ja het kan fijn en rustgevend zijn voor diegene als je tegen hem praat
C: dat hangt af van de soort coma

Slide 20 - Tekstslide

vraag 18
De grens tussen aangeboren en niet aangeboren hersenletsel is vaak moeilijk aan te geven vanaf welke leeftijd begint niet aangeboren hersenletsel?
A: 0 tot een half jaar
B: een half jaar tot een jaar
C: na 4 jaar

Slide 21 - Tekstslide

vraag 19
Hoe vaak wordt ALS gediagnostiseerd per jaar in Nederland?
A: 400 keer per jaar
B: 200 keer per jaar
C: 300 keer per jaar

Slide 22 - Tekstslide

vraag 20
Wat zijn verschijnselen van een dwarslaesie?
A: incontinentie, spasmen
B: volledige verlamming, oedeem
C: abnormale botvorming, hoofdpijn

Slide 23 - Tekstslide