Injecteren

                                        Injecteren
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
Verpleging en verzorgingMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

                                        Injecteren

Slide 1 - Tekstslide

Maar fijn als je ook de theorie kent :)

Slide 2 - Tekstslide

Ben je goed voorbereid?
A
Ja, kom maar op met die vragen...
B
Ik ben een beetje bang

Slide 3 - Quizvraag

Insuline toedienen

Slide 4 - Tekstslide

Omdat het insulinenaaldje heel kort en dun is, kun je meerdere keren achter elkaar op dezelfde plaats injecteren
A
Ja, dat klopt
B
Nee, niet doen
C
De arts moet hier toestemming voor geven
D
Als de cliënt dit wil, dan doe je dat

Slide 5 - Quizvraag

Slide 6 - Tekstslide

Als een cliënt meer dan 50I.E. insuline toegediend krijgt, dan moet je dat over 2 giften verdelen. Bv. in beide benen 25I.E.
A
Dat hoeft niet meer
B
Ja, dat moet
C
Dat doe je alleen als er problemen zijn met de toediening. bv. 'lekkage'
D
Daar moet je de bijsluiter voor raadplegen

Slide 7 - Quizvraag

Als een cliënt een bloedsuikerwaarde heeft van 2.4 mmol dan vraag ik de arts hoeveel insuline ik bij moet spuiten
A
Juist
B
Onjuist

Slide 8 - Quizvraag

Wat geef je bij voorkeur aan een cliënt die een lage bloedsuiker heeft, maar nog wel goed aanspreekbaar is
A
Zo zoet mogelijk want het is belangrijk dat de bloedsuikerwaarde z.s.m. omhoog gaat.
B
Laat de cliënt zoveel mogelijk drinken en bewegen
C
Geef de cliënt iets met langzame koolhydrathen zoals bv brinta of een volkorenboterham
D
Als een cliënt aanspreekbaar is, hoeft de bloedsuiker niet per se omhoog

Slide 9 - Quizvraag

In welk deel van de huid injecteer je bij een subcutane injectie
A
Opperhuid (epidermis)
B
Lederhuid (dermis)
C
Onderhuids bindweefsel (subcutis)
D
pigment (melaline)

Slide 10 - Quizvraag

Bij een kant-en-klare spuit die je subcutaan injecteert hoef je de spuit NIET te onluchten
A
Dat is juist, dat is niet nodig
B
Dat is ONjuist want ontluchten moet ALTIJD

Slide 11 - Quizvraag

In welk lichaamsdeel kan de hoogste hoeveelheid vloeistof geïnjecteerd worden
A
bil
B
dijbeen
C
bovenarm

Slide 12 - Quizvraag

Stelling 1:Je kunt een subcutane injectie loodrecht injecteren; de loodrecht techniek

Stelling 2: Je kunt een subcutane injectie in een huidplooi injecteren: de huidplooitechniek
A
Beide stellingen zijn juist
B
beide stellingen zijn onjuist
C
stelling 1 is juist
D
stelling 2 is juist

Slide 13 - Quizvraag

Wat controleer je als je voor injecteren de huid palpeert

A
of de huid beschadigd is
B
of de huid verhard is door bv littekenweefsel
C
of de huid niet te koud is
D
of er blauwe plekken zijn

Slide 14 - Quizvraag

In welke hoek breng je een naald in bij de huidplooitechniek s.c.
A
45 - 60 graden
B
90 - 120 graden
C
loodrecht
D
30 - 50 graden

Slide 15 - Quizvraag

Medicatie die subcutaan toegediend wordt werkt sneller dan medicatie die Intramusculair toegediend wordt
A
Juist
B
Onjuist

Slide 16 - Quizvraag

De loodrecht techniek en de zigzag techniek zijn hetzelfde
A
Juist
B
Onjuist

Slide 17 - Quizvraag

Wat is GEEN geschikte injectieplaats voor een intramusculaire injectie
A
bovenarmspier
B
bilspier
C
buikspier
D
dijbeenspier

Slide 18 - Quizvraag

Wat moet je NIET doen als de naald vanuit i.m. positie verschuift naar subcutane positie
A
observeren op (heftige)lokale reacties
B
Stoppen met injecteren
C
De injectievloeistof rustig inspuiten
D
Arts bellen

Slide 19 - Quizvraag

Aspireren hoeft alleen maar als je een i.m. injectie in de bil toedient
A
Dat is niet waar. Je moet altijd aspireren.
B
Dat klopt. De kans dat je in de andere spieren een bloedvat aanprikt is heel klein.

Slide 20 - Quizvraag

Wat is een complicatie bij i.m. injecteren
(meerdere antwoorden zijn juist)
A
Een zenuw kan aangeprikt worden
B
Er kan abcesvorming ontstaan als de vloeistof slecht wordt opgenomen
C
een bloedvat kan aangeprikt worden waardoor medicatie te snel wordt opgenomen
D
Er kan een pijnlijke spiercontractie ontstaan

Slide 21 - Quizvraag

Waarom wordt medicatie bij een i.m. injectie sneller opgenomen dan bij een s.c. injectie
A
In spieren kun je meer vloeistof injecteren
B
spieren zijn beter doorbloed
C
door de beweging van de spieren
D
bij i.m. injecteer je dieper

Slide 22 - Quizvraag

Slide 23 - Tekstslide