mario

1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
Begrijpend lezenBasisschoolGroep 7,8

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

welke game is jouw favoriete game?

Slide 2 - Woordweb

vul in:
ik game:
A
nooit
B
paar keer per week
C
iedere dag
D
de hele dag

Slide 3 - Quizvraag

Doel van de les:
- je herhaalt wat een opsomming is.
- Je leert woorden die bij een opsomming horen.
- Je leert wat een tegenstelling is.
- je herkent een schema vanuit de tekst.
- Je leert informatie op te zoeken.

Slide 4 - Tekstslide

let op:
Hierna krijg je luistervragen.

Slide 5 - Tekstslide

Hoe begint Mario zijn games?
A
Hallooooo mensen
B
Hello hello
C
It's me
D
how are you????

Slide 6 - Quizvraag

In welke plaats is het gamemuseum?
A
Zwolle
B
Amsterdam
C
Rotterdam
D
Zoetermeer

Slide 7 - Quizvraag

Mario had verschillende beroepen.
Welk beroep is niet genoemd?
A
timmerman
B
klusjesman
C
dokter
D
scheidsrechter

Slide 8 - Quizvraag

Mario beoefent verschillende sporten.
Welke sport werd niet genoemd?
A
motorrijden
B
tennis
C
hnokbal
D
karten

Slide 9 - Quizvraag

we lezen de tekst.

Slide 10 - Tekstslide

Uitleg:
Vrijwel de hele tekst is een opsomming.
Er wordt verteld waarom Mario een groot succes is.
De kopjes: 'Makkelijk te spelen', 'Herkenbaar' en 'Het verhaal' zijn de redenen waarom Mario zo'n succes is.

Slide 11 - Tekstslide

Welk kopje past ook bij het stukje Bedenker? Kies het beste kopje.
A
gamehallen
B
het begin
C
het succes
D
het einde

Slide 12 - Quizvraag

Slide 13 - Tekstslide

Wat hoort op de plek van het blauwe kruis?
A
Vermijden door te springen.
B
Al snel komt de eerste vijand in beeld.
C
Een blok met een vraagteken.
D
Het spel kent diepere lagen.

Slide 14 - Quizvraag

2. In r. 15 staat: Vervolgens zie je een blok met een vraagteken in de lucht.
Wat is een ander woord voor vervolgens?

A
daarna
B
daarvoor
C
ooit

Slide 15 - Quizvraag

In regel 16 staat een opsommingswoord. Welk woord?

Slide 16 - Open vraag

In regel 20/21 staan ook opsommingswoorden.
Welke?
A
De spellen zijn een succes.
B
Een tweede reden.
C
Mensen herkennen zich in Mario.
D
Mario komt in verschillende gedaantes terug.

Slide 17 - Quizvraag

Bedenk nog een paar woorden die je kunt gebruiken bij een opsomming.

Slide 18 - Woordweb

Wat is de opsomming in regel 27/28

Slide 19 - Open vraag

In regel 27/28 staat een tegenstelling.
Wat is de tegenstelling?

Slide 20 - Woordweb

Welk woorde wordt er gebruikt om de tegenstelling te verduidelijken?
A
doordat
B
maar
C
interssant
D
moeilijker

Slide 21 - Quizvraag

Lees 'het verhaal'
in r. 30/31 staat een tegenstelling.
Welk woord wordt gebruikt?
A
Het
B
bijna
C
moet
D
maar

Slide 22 - Quizvraag

Welk woord uit het stukje 'Het verhaal' kan je vervangen door
'nu'?
A
Ook r. 31
B
echter r. 34
C
daarvan r. 35
D
tegenwoordig r. 35

Slide 23 - Quizvraag

Slide 24 - Link

Waar of niet waar?????

Slide 25 - Tekstslide

Mario is in 1981 bedacht door een Japanner.
A
waar
B
niet waar

Slide 26 - Quizvraag

Het verhaal in Mario gaat bijna altijd om een ontvoerde prinses die Mario moet redden.
A
waar
B
niet waar

Slide 27 - Quizvraag

De games van Mario zijn vooral geliefd bij kinderen.
A
waar
B
niet waar

Slide 28 - Quizvraag

De games van Mario zijn moeilijk te spelen.
A
waar
B
niet waar

Slide 29 - Quizvraag

In de game ‘Donkey Kong’ heette Mario Jumpman.
A
waar
B
niet waar

Slide 30 - Quizvraag

Jongeren onder de 18 gamen het meest.
A
waar
B
niet waar

Slide 31 - Quizvraag

Slide 32 - Video