vergroten en verkleinen

vergroten en verkleinen
Herhalingsles
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
WiskundeMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 20 min

Onderdelen in deze les

vergroten en verkleinen
Herhalingsles

Slide 1 - Tekstslide

De vergrotingsfactor = 0,2
Is dit een vergroting of verkleining?
A
vergroting
B
verkleining

Slide 2 - Quizvraag

De vergrotingsfactor = 2,5
Is dit een vergroting of verkleining?
A
vergroting
B
verkleining

Slide 3 - Quizvraag

Het beeld is een vergroting of verkleining van het origineel
A
waar
B
niet waar

Slide 4 - Quizvraag

De vergrotingsfactor is 2.  Zet "beeld" en "origineel" op de juiste plaats onder de foto's.
Beeld
Origineel

Slide 5 - Sleepvraag

Hoe bereken je de vergrotingsfactor?

Vergrotingsfactor =
A
Lengte origineel : lengte beeld.
B
Lengte beeld : lengte origineel.

Slide 6 - Quizvraag

Wat is de vergrotingsfactor?
A
1, 9 : 2,8 = 0,68
B
2,8 : 1,9 = 1,47

Slide 7 - Quizvraag

Wat is de vergrotingsfactor ?
A
2
B
0,5
C
18
D
dat kun je zo niet zien

Slide 8 - Quizvraag


Wat blijft hetzelfde bij gelijkvormige driehoeken ?
A
De zijden
B
De hoeken
C
De zijden en hoeken

Slide 9 - Quizvraag

Zijn deze driehoeken
gelijkvormig?
A
ja
B
nee
C
geen idee

Slide 10 - Quizvraag

Zijn deze driehoeken
gelijkvormig?
A
ja
B
nee
C
geen idee

Slide 11 - Quizvraag


Zijn deze driehoeken
gelijkvormig?
A
Ja
B
Nee
C
Kun je niet zeggen
D
Ik weet niet

Slide 12 - Quizvraag

Wat is de vergrotingsfactorfactor?
A
2
B
3
C
1,5

Slide 13 - Quizvraag

De tekening bestaat uit 2
gelijkvormige driehoeken.

Wat is de overeenkomstige
hoek van ∠C?
A
∠A
B
∠B
C
∠D
D
∠E

Slide 14 - Quizvraag

Driehoek ABE is gelijkvormig
met driehoek ....
A
ABC
B
BDE
C
BCD
D
DBC

Slide 15 - Quizvraag

AB = 

AD =




De vergrotingsfactor =               :                   =
Het beeld
Het origineel
3
5,1
0,59
1,7

Slide 16 - Sleepvraag

Zet de juiste formules bij elkaar.
vergrotingsfactor = 
oppervlakte vergroting =
inhoud vergroting = 
lengte beeld: lengte origineel
opp. origineel x vergrotingsfactor2
inhoud origineel x vergrotingsfactor3

Slide 17 - Sleepvraag

Wat is een schaal?
A
verkleining van de werkelijkheid
B
vergroting van de werkelijkheid
C
verhouding tussen het model en het origineel
D
een kopie tussen het model en de het origineel

Slide 18 - Quizvraag

De schaal staat altijd in:
A
mm
B
cm
C
dm
D
m

Slide 19 - Quizvraag

Schaal: Als de schaal 1 : 50 is dan betekent dat:....
A
de kaart is 50 x zo klein als de werkelijkheid
B
de kaart is 50 x zo groot als de werkelijkheid
C
wat op de kaart 1 cm is, is in werkelijkheid 50 m.
D
wat op de kaart 1 cm is, is in werkelijkheid 51 cm

Slide 20 - Quizvraag


De schaal van het model van de motor is 1:18.

Wat betekent de schaal?
A
1 cm in het model is 18 cm in het echt
B
1 cm in het echt is 18 cm in het model
C
1 cm in het model is 1,8 cm in het echt
D
1 cm in het model is 18 m in het echt

Slide 21 - Quizvraag

Maak een samenvatting met de belangrijkste stof van dit hoofdstuk.
Als je de samenvatting af heb kun je met behulp van de checklist kijken of je samenvatting helemaal klopt.

Slide 22 - Tekstslide