CG A2 Unidad 5 y por_para_week 3_les 3

El programa
Hoy, 
  1. Repaso de la lección anterior, Unidad 3
  2. Unidad 10: Por y para (p.92 TB)
Let op! TT 1+3 is incl. por/para

   3. Unidad 5 Los diminutivos y     
        verbos reflexivos y no reflexivos 
1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansHBOStudiejaar 1

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

El programa
Hoy, 
  1. Repaso de la lección anterior, Unidad 3
  2. Unidad 10: Por y para (p.92 TB)
Let op! TT 1+3 is incl. por/para

   3. Unidad 5 Los diminutivos y     
        verbos reflexivos y no reflexivos 

Slide 1 - Tekstslide

korte evaluatie excursies
Ehv: film / dans / koken
Sevilla: programma
gezamenlijke activiteiten
kosten?

Slide 2 - Tekstslide

ahora hacemos..
Uitschrijven verhaal in 'imperfecto':

Slide 3 - Tekstslide

Maak de volgende zin af:
A los 16 años (yo)....

Slide 4 - Open vraag

Cuando vivía con mis padres...

Slide 5 - Open vraag

En los veranos de mi infancia siempre

Slide 6 - Open vraag

comentar deberes
Oefeningen 13,14,15

Slide 7 - Tekstslide

CG2- Unidad 3: ¿Te acuerdas?
De imperfecto beschrijft situaties en gewoontes in het verleden:

- praten over jeugdherinneringen
- gewoontes uit het verleden beschrijven
- een gebeurtenis in het verleden omschrijven
- bij leeftijd zeggen in verleden tijd: ik was __ jaar oud  / toen ik __ jaar was..
- om handeling/actie aan te geven die wordt onderbroken (en dus niet wordt afgerond op dat moment) door een andere actie/handeling/gebeurtenis.
                     

Slide 8 - Tekstslide

Hay (del verbo haber )
Hay: er is, er zijn (t.t.) -> Hay un bar   /   Hay muchos bares

Había: er was, er waren (v.t. - imperfecto, beschrijvend)
- Había un bar   /   Había muchos bares
Hubo: er was/vond plaats, er waren (v.t. Indefinido, gebeurtenis/hoofdzaak)
- Hubo un accidente / Hubo muchos incendios 

Slide 9 - Tekstslide

herhaling en verduidelijking
1. Antes no había(n) surfistas.              -> Wat is de vertaling?

2. No se hacía surf / No se hacían/practicaban deportes 
(zie ook CG1, 7.14)
se impersonal = vergelijkbaar met 'men', er wordt/er worden..
3. La gente no comía hamburguesas. -> onderwerp= de mensen (la gente = e.v.)


Slide 10 - Tekstslide

R&S Unidad 3
¿Hay preguntas?

Slide 11 - Tekstslide

Pon los verbos en imperfecto:


 1. Antes ...........................(comer-yo) demasiado, ............(estar-yo) un poco gordo.
2. No me .........................(gustar) nadar.
3. ...........................................(salir-nosotros) todas las noches.
4. Carlos y mi hermano............................... (pelearse) todo el tiempo.
5. De pequeña.............................................(pintar-ella) muy bien.
6. Mis amigos...........................................(vivir) al lado de mis casa.
7. Mi profesora de inglés...................(ser) muy divertida.
8. Carlos.................................(poner) la música muy fuerte, y  ........................(molestar) a los vecinos.
9. Mi hermano....................(montar) en bicicleta cuando ...........................(ir) a su trabajo.
10. Cuando ...............................(ser-vosotros) más jóvenes.............(dormir) mejor.
timer
6:00

Slide 12 - Tekstslide

Pon los verbos en imperfecto:


 1. Antes  comía demasiado, estaba un poco gordo.
2. No me gustaba nadar.
3. Salíamos todas las noches.
4. Carlos y mi hermano se peleaban todo el tiempo.
5. De pequeña pintaba muy bien.
6. Mis amigos vivían al lado de mis casa.
7. Mi profesora de inglés era muy divertida.
8. Carlos ponía la música muy fuerte, les molestaba a los vecinos.
9. Mi hermano montaba en bicicleta cuando iba a su trabajo.
10. Cuando erais más jóvenes, dormíais mejor.

Slide 13 - Tekstslide

Mi vida antes y ahora                                                                           Nr. 10b TB p. 35: stel elkaar vragen!                                                 
Maak dan een kort verhaal over je situatie/gewoontes
¿Hoe was je leven toen je 16 was?
  1. ¿Qué ropa llevabas? ¿y hoy?
  2. ¿Qué música escuchabas? ¿y hoy?
  3. ¿Dónde vivías? ¿y hoy?
  4. ¿Qué hacías en tu tiempo libre? ¿y hoy?
  5. ¿Dónde pasabas las vacaciones? ¿y hoy?


Tijdsaanduiding:
A los 16 años
Cuando tenía 16 años
Cuando vivía con mis padres...
Cuando iba al colegio
En los años ...
Antes...
voorbeeld
Cuando tenía 10 años siempre llevaba un vestido, hoy muchas veces llevo pantalones o vaqueros

Slide 14 - Tekstslide

Bij de dokter - Una consulta con el médico.
Situaciones:

Probeer de volgende situatie in het Spaans aan je dokter te vertellen. Je mag met z'n allen brainstormen:
Dokter, ik voel mij niet zo goed. Ik heb keelpijn en moet een beetje hoesten. Gisteren ben ik naar een concert geweest en ik heb te veel gezongen en gedronken. Ik heb iets nodig tegen de pijn. Wat kunt u mij geven?
timer
3:00

Slide 15 - Tekstslide

Bij de dokter - Una consulta con el médico.
Situaciones:

Probeer de volgende situatie in het Spaans aan je dokter te vertellen
Dokter, ik voel mij niet zo goed. Ik heb keelpijn en moet een beetje hoesten. Gisteren ben ik naar een concert geweest en ik heb te veel gezongen en gedronken. Ik heb iets nodig tegen de pijn. Wat kunt u mij geven?
mogelijk antwoord
Doctor, no me siento muy bien.  Me duele la garganta/Tengo dolor de garganta y un poco de tos. Ayer fui a un concierto y canté y bebí demasiado. Necesito algo para el dolor. ¿Qué me puede dar/ qué me recomienda?

Slide 16 - Tekstslide

Unidad 10: Por y para, TB p.92 - ook in TT 1-3
Lee el texto sobre internet y 
marca los motivos para usar internet

Slide 17 - Tekstslide

Por y Para, Nr. 9a p.92 TB
Opdracht: bekijk de video op de volgende slide en maak een aantal opdrachten
timer
10:00

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Link

Por y Para, Nr. 9a p.92 TB

Slide 20 - Tekstslide

TIP: Bestudeer eerst p.96 en 9.1 p. 126 TB !!

Slide 21 - Tekstslide

reden (wegens)

niet exacte plaats

niet exacte tijd
(por la noche)

door iemand




doel (om te)

bestemming(naar)

deadlines (vóór
kerst)

voor iemand
Por
Para
ook bij prijs/ ruil altijd "por"gebruiken

Slide 22 - Tekstslide

a trabajar en grupos
ejercicios por y para
1. Nr. 9b P. 92 TB
2. Oef. 15a p. 97 WB, kijk zelf na
3. verbind de zinnen van 'por en para', zie R&S 
op p. 101 WB
4. Probeer de por/para's uit de tekst van 9a te vertalen naar het Nederlands

timer
15:00

Slide 23 - Tekstslide

Unidad 5 TB p. 45+52
  • verkleinwoorden 
  • betekenisverschil werkwoorden

Slide 24 - Tekstslide

Diminutivos (verkleinwoorden)  
Vamos al libro de texto - p. 45 en p. 112 TB
 

Slide 25 - Tekstslide

Unidad 5 - pg. 45 -Verkleinwoorden
De meest voorkomende uitgangen voor het maken van een verkleinwoord zijn: 


                                             


- ito / -ita                         despacio -> despacito
                                       una casa -> una casita

- cito / - cita                     un café -> un cafecito
                                        una noche -> una nochecita

Slide 26 - Tekstslide

Diminutivos (verkleinwoorden) - voorbeelden
  • woorden met uitgang op  -o/ -a  worden verkleind met:  -ito(s)/ -ita(s)
hermano: hermanito / manzana: manzanita / poco: poquito
  • woorden met uitgang op -e/ -n / -r krijgt:                                  -cito(s)/ -cita(s)
coche:cochecito/ ratón: ratoncito  / calor: calorcito 
  • woorden met uitgang op een medeklinker (géén -n/-r):    -ito(s)/ -ita(s)
ángel: angelito /  marqués: marquesito / lápiz :  lapicito
Dus: soms verandert de spelling (z->c, c-> qu )
en de accenten van oorspronkelijke woord vallen dus weg

              

Slide 27 - Tekstslide

Unidad 5 - pg. 45 -Verkleinwoorden
De meest voorkomende uitgangen voor het maken van een verkleinwoord zijn: 


                                             

Gebruikt met... 

- Zelfst. nw............... la casita 
- Bijvoeglijk nw........  tontito 
- Bijwoord .............   cerquita
Gebruikt als... 

- iets klein is..................... pequeñito 
- koosnaam ....................  abuelita 
- betekenis af te zwakken...gordito
bestudeer p. 52 "verkleinwoorden"

Slide 28 - Tekstslide

Escribe los diminutivos de las siguientes palabras
  • galleta ......................................
  • coche  ......................................
  • poco    ......................................
  • hombres ................................
  • mujeres ..................................
  • minuto  ..................................
  • balcones ................................
  • momento ..............................
  • boca  .........................................
  • ojo ...............................................
timer
5:00

Slide 29 - Tekstslide

Escribe los diminutivos de las siguientes palabras
  • galleta  galletita
  • coche  cochecito
  • poco    poquito
  • hombres hombrecitos
  • mujeres mujercitas
  • minuto  minutito
  • balcones balconcitos
  • momento momentito
  • boca boquita
  • ojo ojito

Slide 30 - Tekstslide

wederkerend werkwoord
¿Qué sabéis de los verbos reflexivos?


Slide 31 - Tekstslide

persoonlijk vnw bij wederkerend ww (herh)
ME, TE, SE, NOS, OS, SE
Plaats persoonlijk voornaamwoord is meestal vóór het werkwoord:
Todas las mañanas me levanto a las 7 a.m.
Pedro no se aburre nunca.
Ella se está peinando.

Bij gerundio of infinitief mag het er ook achter (wel er aan vast): 
Ella está peinándose

Slide 32 - Tekstslide

Betekenisverschil bij wederkerend ww 
Unidad 5 TB p. 52
PONER 
PONERSE
Me pongo la camisa 
Ponerse + zelf. nw
aantrekken, opzetten
worden
Ponerse + Bijvoeglijk nw.
Me pongo triste
zetten, leggen
Pongo las llaves en el bolso

Slide 33 - Tekstslide

Betekenisverschil bij wederkerend ww 
Encontrar
Encontrarse
La iglesia se encuentra en la plaza
zich bevinden
afspreken met 
Nos encontramos en la universidad
vinden
¡No encuentro el azucar!
Encontrarse con

Slide 34 - Tekstslide

Betekenisverschil bij wederkerend ww 
Llamar 
Llamarse 
Se llaman 'La oreja de Van Gogh'
Slapen 
In slaap vallen, zich verslapen
roepen, noemen, opbellen 
¡Llama a la ambulancia!
Dormir
heten
Dormirse

Slide 35 - Tekstslide

Betekenisverschil bij wederkerend ww

Quedar 
Quedarse
¿Te quedas a dormir? 
afspreken 
¿Quedamos después del trabajo? 
blijven 

Slide 36 - Tekstslide

TB p. 52: Wederkerende vorm of niet? = leerwerk/voca leren

Slide 37 - Tekstslide

Relaciona
worden
aantrekken
encontrarse
encontrarse con 
quedar
dormirse
dormir
quedarse

afspreken
afspreken met 
poner + bijv. nw
zich bevinden

poner + zelf. nw 
in slaap vallen

slapen

blijven

Slide 38 - Sleepvraag

trabajar en grupos
                     1. Maak Nr. 11 TB p. 50  en 3 WB p. 44         
2. Maak nr. 12 TB p. 50 en oef. 10+12 WB p.47+48
3. Vul de R&S aan WB p. 51 (verkleinwoorden en wederk.ww)
4. Maak 4 en 6 WB p. 44-45


Slide 39 - Tekstslide

DEBERES 
- Estudia la gramática
- Por/para TB pg. 126 en pg. 92 oef. 9
- Diminutivos, TB pg. 112
- Verbos reflexivos TB. p. 52 'Betekenisverschil bij wederkerend gebruik van het werkwoord".
- Libro de trabajo U5 ej.3, 10, 12, en U10 ej. 15, 18
- Aprende el vocabulario
RECUERDA: Maandag in de les: TT van Unidad 1 en 3.
Denk aan de deadline voca-toets, woensdag 09.00 uur 
Cuidaros mucho y feliz Sinterklaas

Slide 40 - Tekstslide