Spelling 3PIE HH blok 1 en blok 2

Spelling

HERHALING BLOK 1 en START BLOK 2
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Spelling

HERHALING BLOK 1 en START BLOK 2

Slide 1 - Tekstslide

Terugblik blok 1
  • De juiste spelling van de persoonsvorm toepassen in de tegenwoordige tijd en in de verleden tijd.
  • TEST: hoe sta jij ervoor?

Slide 2 - Tekstslide

Na deze les.....
  • heb je de spelling van de persoonsvorm (tt en vt) herhaald;
  • heb je de spelling van het voltooid deelwoord herhaald;
  • kun je bijvoeglijke naamwoorden spellen, die aangeven van welk materiaal iets is gemaakt. 

Slide 3 - Tekstslide

Spelling
Persoonsvorm Tegenwoordige Tijd

  • je/jij/u/hij/zij                        ->        (aangepaste) stam + t
  • je/jij achter pv                     ->         stam
  • meervoud                             ->        hele werkwoord

Slide 4 - Tekstslide

De stam van een werkwoord is: 
het hele werkwoord -en
werkwoord: bereiken / stam: bereik
werkwoord: verhuizen / stam: verhuiz
werkwoord: lopen / stam: lop
werkwoord: beloven / stam: belov

Deze stam heb je nodig als je 't sexy fokschaap gaat gebruiken.

Slide 5 - Tekstslide

Meestal spreek je van de aangepaste stam, de aangepaste stam is precies hetzelfde als de ik-vorm.
werkwoord: bereiken
stam: bereik
werkwoord: verhuizen
stam: verhuis
werkwoord: lopen
stam: loop

Slide 6 - Tekstslide

Als de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd staat, zijn er maar drie mogelijkheden.
  1. stam 
  2. stam+t  
  3. hele werkwoord/wij-vorm 

Slide 7 - Tekstslide

ik loop
: stam 
jij loopt
: stam+t 
loop jij
: stam 
hij/zij/het/u loopt
: stam+t 
wij/jullie/zij lopen : hele werkwoord/wij-vorm
jij loopt
jij staat voor de persoonsvorm
dus: stam+t

loop jij
jij staat achter persoonsvorm
dus: stam

Slide 8 - Tekstslide

Bij de meeste werkwoorden kun je dit horen, bij sommige woorden is het lastiger, omdat ze op een 'd' eindigen, dan hoor je het niet.
jij loopt - loop jij
jij rent - ren jij
jij kijkt - kijk jij
jij verbrandt - verbrand jij
jij wordt - word jij
jij laadt - laad jij

Slide 9 - Tekstslide

maar let op!!!
je broer loopt
/ loopt je broer (je broer - jouw broer - hij)
je zus rent
/ rent je zus (je zus - jouw zus - zij)
je oma wordt negentig
/ wordt je oma negentig
je oma - jouw oma - zij

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Link

SPIEKBRIEF

ik loop : stam
jij loopt : stam+t
loop jij : stam
hij/zij/het/u loopt : stam+t
wij/jullie/zij lopen : hele werkwoord/wij-vorm
timer
7:00

Slide 12 - Tekstslide

Werkwoorden Verleden Tijd
  • Klankveranderende ww schrijf je zoals je ze hoort (ik denk / ik dacht : wij komen / wij kwamen)
  • Klankvaste ww: ik-vorm +te(n) of +de(n)

       't Sexy Fokschaap -> + te (enkelvoud) + ten (meervoud)
       andere ww + de (enkelvoud) + den (meervoud)

Slide 13 - Tekstslide

Verleden tijd: 'T SEXY FOKSCHAAP:
zit de laatste letter van de stam hierin?
FIETSEN / FIETS = stam
stam+ te (enkelvoud)    IK FIETSTE
stam+ ten (meervoud) WIJ FIETSTEN / DE LEERLINGEN FIETSTEN

BELOVEN / BELOV = stam (beloof = aangepaste stam)
stam+ de (enkelvoud)  IK BELOOFDE
stam+ den (meervoud)WIJ BELOOFDEN/DE ZUSJES BELOOFDEN

Slide 14 - Tekstslide

Verleden tijd: 'T SEXY FOKSCHAAP:
zit de laatste letter van de stam hierin?
Sommige werkwoorden hebben veranderletters, dat zijn letters die veranderen zoals de 'z' en de 'v'.

verven - stam = verv maar aangepaste stam = ik verf 
verhuizen - stam - verhuiz maar aangepaste stam = ik verhuis
Als er in een werkwoord zo'n veranderletter staat en je gaat de regel van 't sexy fokschaap toepassen, dan kijk je naar de oude letter

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Link

SPIEKBRIEF
rennen
ik/jij/hij/u rende
wij/jullie/zij renden


fietsen

ik/jij/hij/u fietste
wij/jullie/zij fietsten
'T SEXY FOKSCHAAP
timer
7:00

Slide 17 - Tekstslide

Het Voltooid Deelwoord
  • De 'ge-, be-, ver- woorden'
       altijd samen met: hebben, zijn en worden

  • Gebruik 't Sexy Fokschaap

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Neem het ww 'plassen'
A
ik heb geplasd
B
ik heb geplast

Slide 20 - Quizvraag

Neem het ww 'beloven'
A
ik heb beloofd
B
ik heb belooft

Slide 21 - Quizvraag

Gebruik volt.dw. als bijvoeglijk naamwoord = bnw

  • Schrijf dit altijd zo kort mogelijk!
bnw = bijvoeglijk naamwoord
-> dit zegt iets over het zelfstandig naamwoord

DUS: 
De hamburger is VERBRAND -> de VERBRANDE hamburger

Slide 22 - Tekstslide

Neem het ww 'ontploffen'
A
de ontplofte tank
B
de ontploftte tank

Slide 23 - Quizvraag

Neem het ww 'doden'
Wat is de juiste spelling?
A
de gedoodde muis
B
de gedode muis

Slide 24 - Quizvraag

Aan de slag !

Kader: blok 2 Spelling  opdracht 2.8 en 2.9
Basis: blok 2 Spelling opdracht 2.7, 2.8 en 2.9

Onderdeel Bijspijkeren: spelling 
Basis: 2.7, 2.8 en 2.9
Kader: 2.8 en 2.9
timer
15:00

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

En? heb je jouw lesdoelen gehaald?
  • Kun je de juiste spelling van de persoonsvorm (tt en vt) nu toepassen;
  • Kun je de juiste spelling van het voltooid deelwoord nu toepassen;
  • kun je bijvoeglijke naamwoorden spellen, die aangeven van welk materiaal iets is gemaakt. 

Slide 27 - Tekstslide

Heb je meer inzicht in de spelling van de persoonsvorm (tt en vt)?
Wil je aangeven of het duidelijk is.

Slide 28 - Open vraag

Heb je meer inzicht in de spelling van het voltooid deelwoord?
Wil je aangeven of het duidelijk is.

Slide 29 - Open vraag

Kun je de bijvoeglijke naamwoorden juist spellen?
Wil je aangeven of het duidelijk is.

Slide 30 - Open vraag