h6 markten les 1, 2

H6 Markten
Vraag
en 
Aanbod
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

H6 Markten
Vraag
en 
Aanbod

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
*je kunt een vraagfunctie tekenen
*je kunt een aanbodfunctie tekenen
*je kunt de evenwichtsprijs berekenen
*je kunt de evenwichtshoeveelheid berekenen
*je kunt aangeven en uitrekenen wat het consumentensurplus en producentensurplus zijn

Slide 2 - Tekstslide

Welke markt zag je zojuist NIET?
A
aandelenmarkt
B
arbeidsmarkt
C
goederenmarkt
D
dienstenmarkt

Slide 3 - Quizvraag

De vraag naar goederen en diensten
Vrijwel elke dag (of week) koop je wel iets. Een broodje in de kantine, een snack bij de supermarkt, of iets online.

Wat beïnvloedt jouw vraag naar goederen en diensten?
Oftewel, wanneer ben je geneigd iets wel (of niet) te kopen? Waar let je op?

Slide 4 - Tekstslide

Wat vind jij het allerbelangrijkst
als je iets koopt?
A
hoeveel geld je op je rekening hebt staan
B
hoe duur het is
C
of anderen het ook kopen
D
of je het echt nodig hebt

Slide 5 - Quizvraag

Oorzaken van een veranderende vraag 
De prijs is meest bepalend, maar ook
- concurrentie (welke merk smartphone kies je?)
- koopkracht consument (is je zakgeld hoog genoeg?)
- trends, mode (loopt iedereen er mee? is het 'in'?)
- nut, behoefte (is het echt nodig om te kopen?)
- economische omstandigheden (verwacht je minder te gaan verdienen?)

Slide 6 - Tekstslide

Markten
Op een markt komen vragers (consumenten) en 
aanbieders (producenten)  samen.

Dit kan letterlijk, fysiek: denk aan de goederenmarkt op de Rozengracht in Zaandam.
Of abstract, niet fysiek; denk aan de aandelenmarkt 
of de arbeidsmarkt. 

Slide 7 - Tekstslide

Goederen en diensten(-markt)
Goederen kan je vastpakken, zoals een halfje bruin, een fiets of een laptop. 


Diensten zijn niet tastbaar, zoals het werk wat je kapper doet, de glazenwasser, taxichauffeur, boekhouder, docent, enz. 

Slide 8 - Tekstslide

Noteer een goed en een dienst die je onlangs zelf hebt gekocht

Slide 9 - Open vraag

Rekenen met een Qv-functie
Economen vatten de gevraagde hoeveelheid (vraag= Qv) graag wiskundig samen in een functie; hierin is alleen de factor prijs meegenomen

Bijvoorbeeld: 
Qv= -20p+ 500



Deze functie is een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid
= een model 
In de functie de letter p van prijs, zie je 'm? 

Slide 10 - Tekstslide

Functie in een grafiek
Een functie als  Qv= -20p+ 200    geeft weer hoe de consument reageert op een prijsverandering. Oftewel; hogere p (prijs) is lagere Qv (vraag).
Bijvoorbeeld: Bij een prijs van 10 euro wordt er 
Qv = 20 x 10 + 200= 300 stuks gevraagd
Bij een prijs van 20 euro wordt er
Qv = 20 x 20 +200= 400 stuks gevraagd
Dit moet je ook grafisch kunnen maken. 
Zie volgende sheet :) 

Slide 11 - Tekstslide

Grafisch; een vraaglijn (Qv)
P = 10 dan is Qv= 300
P = 20 dan is Qv = 100
Zoals je ziet heeft de vraaglijn een dalend verloop: 

hoe duurder het wordt, hoe minder er gevraagd wordt

Logisch toch?

Slide 12 - Tekstslide

Even zelf rekenen nu.

Qv= -20p + 1000
Wat is de vraag bij een prijs van 8 euro?
A
80 euro
B
840 stuks
C
840 euro
D
50 stuks

Slide 13 - Quizvraag

Rekenen met een Qa-functie
 Economen vatten de aangeboden hoeveelheid (aanbod= Qa) graag wiskundig samen in een functie; hierin is alleen de factor prijs meegenomen

Bijvoorbeeld: 
Qa= 0,4P-20



Deze functie is een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid
= een model 
In de functie de letter p van prijs, zie je 'm? 

Slide 14 - Tekstslide

Functie in een grafiek
Een functie als  Qa= 0,4P-20  geeft weer hoe de producent reageert op een prijsverandering. Oftewel; hogere p (prijs) is hogere Qa (aanbod).
Bijvoorbeeld: Bij een prijs van 100 euro wordt er 
Qa = 0,4 x 100 -20=  20 stuks gevraagd
Bij een prijs van 300 euro wordt er
Qa = 0,4 x 300 - 20 = 100 stuks gevraagd
Dit moet je ook grafisch kunnen maken. 
Zie volgende sheet :) 

Slide 15 - Tekstslide

Grafisch; een vraaglijn (Qa)
P = 100 dan is Qa= 20
P = 300 dan is Qa = 100
Zoals je ziet heeft de aanbodlijn een stijgend verloop: 

hoe duurder het wordt, hoe meer er aangeboden wordt

Logisch toch?

Slide 16 - Tekstslide

H6 Markten les 2
Vraag en aanbod

Slide 17 - Tekstslide

Qa=Qv, het marktevenwicht
Qa= 25p - 125            Qv= -20p + 500
in deze functies zie je hoe de vragers (Qv) en aanbieders (Qa) reageren op een (andere) prijs; door ze aan elkaar gelijk te stellen (balansmethode) achterhaal je DE EVENWICHTSPRIJS
Pe= evenwichtsprijs (door Qa=Qv)
Waarom? Zodat je weet welke prijs tot stand komt op deze markt

Slide 18 - Tekstslide

Qa= 25p-125 en Qv= -20p + 500
25p - 125= -20p + 500 
45p = 625
p= 625/45 = 13.89 euro evenwichtsprijs

Invullen in Qa --> 25 x 13.89 - 125= 222.2 stuks 
Invullen in Qv --> -20 x 13.89 + 500= 222.2 stuks
Beide 222.2? Dat kan geen toeval zijn!
Klopt! Is het ook niet! MOET altijd gelijke Q hebben, 
we noemen het daarom de evenwichtshoeveelheid 



Oplossen middels de balansmethode van wiskunde

Slide 19 - Tekstslide

Qa=Qv
Dus wat hebben we geleerd --> gelijkstellen van qa=qv geeft de evenwichtsprijs (Pe)  van 36 euro
Vul die evenwichtsprijs in BEIDE functies in en vind de 
evenwichtshoeveelheid (Qe) van 280 stuks.

Wat zal de omzet zijn op deze markt?

Slide 20 - Tekstslide

Qa=Qv

Slide 21 - Tekstslide

Maximale betalingsbereidheid
Uit de Qv-functie kan je halen wat de consument MAXIMAAL wil betalen voor je product. Daarvoor stel je functie gelijk aan 0.
Qv= -20p + 1000
0= -20p + 1000 (je zegt; bij welk prijs verkoop ik nul meer)
OPLOSSEN MAAR :)
20p = 1000
Pmax = 1000/20 = 50 euro 

Slide 22 - Tekstslide

Minimale leveringsbereidheid
Zelfde trucje, maar nu voor de aanbodlijn. Vanaf welke prijs wordt er aangeboden/ geleverd op de markt?
Qa= 30p - 800 
0 = 30p - 800 
30p = 800
Pmin = 800/30 = 26,67 euro

Slide 23 - Tekstslide

Vandaag geleerd:
*je kunt een vraagfunctie tekenen
*je kunt een aanbodfunctie tekenen
*je kunt de evenwichtsprijs berekenen
*je kunt de evenwichtshoeveelheid berekenen
*je kunt aangeven en uitrekenen wat het consumentensurplus en producentensurplus zijn

Slide 24 - Tekstslide

Grafisch maken
Om deze functies om te zetten in een grafiek het volgende:
1. bereken de evenwichtsprijs (qa=qv)
2. bereken de evenwichtshoeveelheid 
(Pe invullen in beide functies)
3. Bereken de maximale betalingsbereidheid (Qv=0)
4. Bereken de minimale leveringsbereidheid (Qa=0)
Tekenen maar!

Slide 25 - Tekstslide

Grafisch maken
C= Consumentensurplus
P = producentensurplus

Slide 26 - Tekstslide