PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN, hoe en wat...
PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN, hoe en wat...
De centrale lijn van de les is: welk Duits persoonlijk voornaamwoord gebruik je als onderwerp, en hoe herken je dat in een zin?
Leerdoel
Ik kan persoonlijke voornaamwoorden in de 1e naamval correct herkennen en gebruiken in eenvoudige Duitse zinnen!
Deze slide heeft geen instructies
Welke Duitse voornaamwoorden ken je al?
Gebruik de opbrengst om voorkennis te activeren. Let op of leerlingen al ich, du, wir of Sie noemen en of er verwarring is tussen sie en Sie.
De vormen
ich = ik
du = jij
er = hij
sie = zij
es = het
wir = wij
ihr = jullie
sie = zij
Sie = u
Benadruk meteen dat Duits twee keer 'sie' heeft: met kleine letter = zij/ze, met hoofdletter = u.
Wat doet een voornaamwoord?
Een persoonlijk voornaamwoord vervangt een naam of persoon.
In deze les gaat het om de 1e naamval: het voornaamwoord is dan het onderwerp van de zin.
Voorbeelden:
Ich lerne Deutsch.
Sie wohnt in Berlin.
Koppel aan voorkennis: het onderwerp is wie of wat iets doet in de zin.
Herkennen in context
ich: als iemand over zichzelf spreekt
du: tegen één bekende persoon
er: over een een mannelijk persoon
sie: over een een vrouwelijk persoon
es: over een onzijdig wezen/ding
wir: als een groep over zichzelf spreekt
ihr: tegen meerdere bekende personen
Vul mondeling aan met korte zinnen: Ich bin Tom. Du bist meine Freundin. Wir sind müde. Ihr seid hier.
En Sie dan?
Sie met hoofdletter betekent u.
Je gebruikt Sie in beleefde situaties, bijvoorbeeld bij een docent, onbekende volwassene of in een winkel.
Voorbeeld:
Kommen Sie aus Amsterdam.
Benadruk dat 'Sie' grammaticaal dezelfde persoonsvorm krijgt als 'sie' meervoud: beide gaan vaak samen met 'sind' of een meervoudsvorm zoals 'kommen'.
du of Sie?
du gebruik je informeel: vrienden, familie, klasgenoten
Sie gebruik je formeel: beleefd en op afstand
Vergelijk:
Du bist meine Freundin.
Sind Sie Herr Becker?
De derde voorbeeldzin gebruikt 'Sie' als beleefde vorm. Bespreek dat hoofdletter in geschreven taal extra belangrijk is.
Wie spreek je met du of Sie aan?
formeel
informeel
mijn nicht en neef
mijn buurman/-vrouw
mijn vriend(en)
mijn opa en oma
de docent
mijn tante en oom
de winkelmevrouw
een vreemde volwassene
Deze slide heeft geen instructies
Formeel of informeel
formeel
informeel
neutraal
ich
du
er
ihr
sie ev
wir
es
Sie
sie mv
Deze slide heeft geen instructies
Zet het juiste pers.vnw bij de plaatjes
ich
du
er
sie
es
wir
ihr
sie mv
Sie
Deze slide heeft geen instructies
Onderwerp van de zin
Uitleg:
Het persoonlijk voornaamwoord staat vaak vooraan.
Het zegt wie iets doet of over wie de zin gaat.
In de 1e naamval hoort het bij de persoonsvorm.
Voorbeelden:
Du bin der neue Fußballspieler.
Wir sind in den Niederlanden.
Es ist kalt.
Laat zien dat 'es' ook gebruikt wordt in vaste, alledaagse zinnen zoals weer en algemene toestanden.
Welk woord is het onderwerp in: Du spielst Fußball
spielst
Fußball
Du
het hele gezegde
Checkt of leerlingen het persoonlijke voornaamwoord als onderwerp herkennen.
Persoonsvorm en onderwerp
In het Duits horen het onderwerp en de persoonsvorm bij elkaar.
Je kiest dus niet alleen het juiste voornaamwoord, maar ook de juiste werkwoordsvorm.
voorbeeld: sein (zijn)
ich bin
du bist
er/sie/es ist
wir sind
ihr seid
sie/Sie sind
Gebruik hier bewust 'sein', omdat leerlingen de koppeling tussen voornaamwoord en persoonsvorm dan duidelijk zien.
Voorbeelden in een zin
Ich komme aus Utrecht. (Ik kom uit Utrecht.)
Du lernst Deutsch. (Jij leert Duits.)
Er spielt Tennis. (Hij speelt tennis.)
Sie wohnt in Köln. (Zij woont in Keulen.)
Es kostet zehn Euro. (Het kost 10 euro.)
Wir machen Hausaufgaben. (Wij maken huiswerk.)
Ihr spielt heute. (Jullie spelen vandaag.)
Sie arbeiten viel. (Zij werken veel.)
Wijs erop dat de laatste zin met kleine letter 'sie' meervoud is: 'zij werken'.
Voornaamwoorden in het dagelijks leven
Ich habe Hunger.
Du kommst zu spät.
Wir fahren mit dem Fahrrad.
Ihr seid im Klassenzimmer.
Sie kaufen Brot.
Laat leerlingen zien dat deze vormen vooral nuttig zijn in korte, praktische zinnen uit het dagelijks leven.
er, sie of es?
Deze drie voornaamwoorden verwijzen meestal naar één persoon of één ding.
er = mannelijk woord of jongen/man
sie = vrouwelijk woord of meisje/vrouw
es = onzijdig woord of ding
Voorbeelden:
Der Junge? Er spielt.
Die Lampe? Sie ist neu.
Das Buch? Es ist interessant.
Houd het eenvoudig: focus op alledaagse herkenning. Noem alleen kort dat grammaticaal geslacht niet altijd gelijk is aan natuurlijk geslacht.
Zo kies je het juiste persoonlijk voornaamwoord
Kijk steeds naar drie dingen:
Over wie of wat gaat de zin?
Is het één persoon, meer personen of een ding?
Is de situatie informeel of formeel?
Daarna kies je het voornaamwoord en de juiste persoonsvorm.
Dit is de samenvattende denklijn van de les en verbindt vorm, functie en gebruik.
Du oder Sie? Welke zin past bij een formele situatie?
Du bist nett.
Seid ihr hier?
Sind Sie der neue Mitarbeiter?
Wir sind müde.
De correcte optie gebruikt Sie als beleefde vorm. Distractors zijn echte voornaamwoorden uit de les, maar niet formeel.
Kies het passende voornaamwoord
In alledaagse zinnen kies je het voornaamwoord dat past bij persoon of ding.
Der Junge? Er spielt.
Die Lampe? Sie ist neu.
Das Buch? Es ist interessant.
Herhaalt de tegenstelling er/sie/es uit de voorbeelden op de slides.
Vul de juiste vormen in
In het Duits hoort het onderwerp bij de persoonsvorm.
Vul de juiste persoonsvorm in door op de woorden onderaan te klikken.
Enkelvoud:
ich bin, du bist, er ist, sie ist, es ist
Meervoud:
wir sind, ihr seid, sie sind, (u)Sie sind
Laat leerlingen de vaste koppelingen uit de slide over sein ophalen.
Du oder Sie? Welke zin past bij een formele situatie?
Du bist nett.
Seid ihr hier?
Sind Sie der neue Mitarbeiter?
Wir sind müde.
De correcte optie gebruikt Sie als beleefde vorm. Distractors zijn echte voornaamwoorden uit de les, maar niet formeel.
Tegen wie zeg ook weer u (Sie)?
die Nachbarin (de buurvrouw)
Bruder und Schwester
die Tante und den Onkel (oom)
Opa und Oma.
Toetst de veelgemaakte fout met persoonsvorm en onderwerp.
En tegen wie zeg je dan jij (du)?
die Verkäuferin (de verkoopster)
die Freundin/der Freund
Oma und Opa
Cousin und Cousine
Toetst de veelgemaakte fout met persoonsvorm en onderwerp.
Welke zin is correct?
Du sind nett (aardig).
Sie bist nett (aardig).
Er seid nett (aardig).
Du bist nett (aardig).
Toetst de veelgemaakte fout met persoonsvorm en onderwerp.
Welke zin is correct?
Pas het juiste persoonlijke voornaamwoord toe.
Die Lampe ist neu. Es ist schick.
Die Lampe ist neu. Sie ist schick.
Die Lampe ist neu. Er ist schick.
Die Lampe ist neu. Ihr ist schick.
Toetst de veelgemaakte fout met persoonsvorm en onderwerp.
Pas het juiste persoonlijke voornaamwoord toe.
Welke zin is correct?
Der Hund ist lieb, ...
... er ist noch klein.
... es ist ganz neu.
... sie kann schon beißen (bijten).
... Sie gehorcht (luistert) gut.
Toetst de veelgemaakte fout met persoonsvorm en onderwerp.
Wat ga jij zeker onthouden van deze les?
Laat leerlingen kort terugblikken op hun eigen leerproces. Mogelijke elementen: verschil tussen du/Sie, koppeling met de persoonsvorm, er/sie/es.
Welk deel vond jij nog lastig?
Gebruik dit als exit ticket om te zien waar nog instructie of extra oefening nodig is.
Veelgemaakte fouten
du en Sie door elkaar halen
er, sie en es verkeerd kiezen
Hoofdletter vergeten bij Sie
Een goede persoonsvorm vergeten
Fout: Du sind nett.
Goed: Du bist nett.
Noem dat veel fouten niet in het voornaamwoord zelf zitten, maar in de combinatie met de persoonsvorm.
Begrippen
persoonlijk voornaamwoord - woord dat een persoon, groep of zaak
aanduidt zonder de naam te herhalen
1e naamval - vorm die je gebruikt als het woord onderwerp van de zin is
onderwerp - wie of wat iets doet of waar de zin over gaat
persoonsvorm - de vervoegde werkwoordsvorm die bij het onderwerp hoort
informeel - gewone, persoonlijke manier van aanspreken, zoals met du
formeel - beleefde manier van aanspreken, zoals met Sie
vervoegen - het aanpassen van een werkwoord aan het onderwerp
Deze slide heeft geen instructies