14.3 Het ademhalingsstelsel van de mens

Verwachtingen vandaag!
  • Mijn boek ligt open op paragraaf: 14.3 blz. 199
  • Ik heb alleen de benodigde spullen op tafel: Boek, schrift en etui
  • Als ik wat wil zeggen steek ik mijn hand op 
  • Als de docent praat ben ik stil
  • Ik respecteer een ander en zijn eigendommen
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

In deze les zitten 23 slides, met tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Verwachtingen vandaag!
  • Mijn boek ligt open op paragraaf: 14.3 blz. 199
  • Ik heb alleen de benodigde spullen op tafel: Boek, schrift en etui
  • Als ik wat wil zeggen steek ik mijn hand op 
  • Als de docent praat ben ik stil
  • Ik respecteer een ander en zijn eigendommen

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen herhalen
  • Je kunt de delen van de huid en van het onderhuidse bindweefsel noemen met hun kenmerken en functies.
  • Je kunt beschrijven hoe de lichaamstemperatuur min of meer constant wordt gehouden.

Slide 2 - Tekstslide

14.3 Het ademhalingsstelsel van de mens
Thema 14 Gaswisseling en uitscheiding

Slide 3 - Tekstslide

Leerdoelen vandaag
  • Je kunt de delen van het ademhalingsstelsel van de mens noemen met hun kenmerken en functies.

Slide 4 - Tekstslide

Gaswisseling
  • Voor de verbranding in cellen is zuurstof nodig.
  • Mensen en dieren nemen zuurstof op uit hun omgeving en geven koolstofdioxide af.
  • Het opnemen van zuurstof en het afgeven van koolstofdioxide heet gaswisseling
  • Lucht bestaat uit een mengsel van verschillende stoffen.
  • Je lichaam haalt zuurstof uit dat mengelsel.
  • Je lichaam geeft koolstofdioxide af.
  • Als je uitademt, komt er ook altijd waterdamp uit je lichaam.

Slide 5 - Tekstslide

Het ademhalingsstelsel
  • Lucht adem je in via de neusholte of mondholte.
  • Vervolgens komt de lucht door de keelholte via het strottenhoofd in de luchtpijp.
  • De luchtpijp is een buis die zich splitst in twee bronchiën. Deze gaan beide naar een long.
  • Bronchiën vertakken zich in steeds dunnere buisje, de luchtpijptakjes.
  • Elk luchtpijptakje eindigt in een trosje longblaasjes.
  • Al deze organen samen vormen het ademhalingsstelsel van de mens.

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

Neusademhaling
Het is beter om via je neus adem te halen dan via je mond, omdat via de neus:
  • Stofdeeltjes en (een deel van de) ziekteverwekkers worden tegengehouden.
  • De lucht vochtig wordt gemaakt.
  • De lucht warm wordt gemaakt.
  • De lucht wordt gekeurd door goed te ruiken.

Slide 9 - Tekstslide

Mondademhaling
  • Bij mondademhaling komt de lucht in de mondholte terecht
  • Stof en ziekteverwekkers worden bij mondademhaling niet tegengehouden.
  • Daardoor kun je sneller ziek worden.
  • Ook wordt de lucht minder vochtig en minder warm dan bij neusademhaling.
  • Je merkt ook geen vieze of gevaarlijke geuren op.

Slide 10 - Tekstslide

Neusholte
  • Vooraan in de neusholte groeien neusharen die grote stofdeeltjes tegenhouden.
  • Op de wand van de neusholte ligt het neusslijmvlies. Die maakt de lucht die je inademt vochtig. Ook blijven stofdeeltjes en ziekteverwekkers hieraan plakken.
  • Bloedvaten verwarmen het neusslijmvlies en ingeademde lucht.
  • Boven in zit het reukzintuig. Je hersenen keuren lucht, zo wordt je gewaarschuwd voor vieze of gevaarlijke geuren.

Slide 11 - Tekstslide

Neusslijmvlies
  • Neusslijmvlies bestaat uit cellen en slijm.
  • Een deel van de cellen uit je neusslijmvlies maakt slijm.
  • De andere cellen hebben heel dunne haartje. Dit zijn trilharen.
  • Trilharen duwen het slijm naar je keelholte, daar slik je het slijm met stof en ziekteverwekkers in, zodat ze in je maag terechtkomen.
  • Slijmvlies zit ook op de wand van de luchtpijp, bronchiën, luchtpijptakje en de longblaasjes.
  • Het slijmvlies en de trilharen houden je hele ademhalingsstelsel schoon.

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Keelholte
  • Ingeademde lucht gaat vanuit de neusholte of mondholte naar de keelholte, vanuit daar gaat de lucht naar de luchtpijp.
  • Als je voedsel inslikt, wordt het eten in de keelholte geduwd.
  • De huig sluit dan de neusholte af en het strotklepje sluit de luchtpijp af.
  • Door de huig kan voedsel niet naar de neusholte.
  • Door het strotklepje kan voedsel niet naar de luchtpijp.

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Kraakbeenringen
  • Om de luchtpijp altijd open te houden, zitten in de wand van de luchtpijp kraakbeenringen
  • Daardoor lijkt de luchtpijp een beetje op een stofzuigerslang.
  • Aan de achterkant van de luchtpijp zijn de kraakbeenringen open. Hierdoor kunnen grote happen eten wel door de slokdarm.
  • De luchtpijp splitst zich in twee bronchiën.
  • Naar elke long gaat één bronchie.
  • De wand van de bronchiën heeft kraakbeenringen, net als de luchtpijp.

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Longblaasjes
  • Elk luchtpijptakje eindigt in een trosje longblaasjes, om de longblaasjes liggen veel kleine bloedvaten, de longhaarvaten.
  • De wand van de longblaasjes en de longhaarvaten is erg dun. Zuurstof en koolstofdioxide kunnen daardoor gemakkelijk door de wanden heen.
  • Bij inademing gaat zuurstof naar het bloed in de longhaarvaten.
  • Koolstofdioxide uit het bloed gaat via de longblaasjes naar de lucht door uitademing.

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Aan het werk!
Maken opdrachten 14.3: 1, 2, 3, 5, 6 en 7
Werk af?
Laten checken bij docent, bij goedkeuring nakijken.
Werk nagekeken en laten controleren?
  • Plusopdracht maken
  • Test jezelf
  • Lezen
  • Bezig met een ander vak

 

timer
25:00

Slide 22 - Tekstslide

Leerdoelen herhalen
  • Je kunt de delen van het ademhalingsstelsel van de mens noemen met hun kenmerken en functies.

Slide 23 - Tekstslide