Bijeenkomst 3 Periode 2 - Professionele Taalvaardigheid

Professionele taalvaardigheid 1
bijeenkomst 3 - periode 2
1 / 42
volgende
Slide 1: Tekstslide
TaalHBOStudiejaar 1

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Professionele taalvaardigheid 1
bijeenkomst 3 - periode 2

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zelfstudie 1
Zie de Itspagina Professionele Taalvaardigheid 1:
  • in iedere ingesproken powerpoint wordt verwezen naar aanvullende theorie en oefeningen
  • bij ieder onderdeel is extra oefenmateriaal toegevoegd. 

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zelfstudie 2
  • Plan vaste momenten in waarop je je professionele taalvaardigheid traint. 
  • Meld je aan voor de dagelijkse test op www.beterspellen.nl (3F-niveau) en op www.gespeld.nl
  • Bekijk op YouTube de filmpjes van Arnoud Kuijpers
  • Als je twijfelt over hoe je een woord spelt, zoek het dan op, bijvoorbeeld op www.onzetaal.nl.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Afsluitend zelfstudie
Vind je het lastig om overzicht te houden in het aanbod van theorie en oefeningen?

Schaf dan De Taaltoets-pabo haal je zo  (De Weerdt, 2008) aan en werk dat als basis structureel door. Let op: kijk goed in de ingesproken powerpoints welke onderdelen je uit dat boek moet beheersen voor PT1 (een deel wordt getoetst bij PT2). 

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Focus: ontleden
Wil je een andere focus?
  • Ga dan naar kanaal break-out 1 werkwoordspelling of break-out 2 spelling en interpunctie. 
  • In de break-outs vind je oefenmateriaal. Selecteer één of enkele oefeningen die jullie met elkaar gaan maken. 
  • Noteer vragen die blijven liggen. Neem deze vragen ook mee naar de vragenronde die om 17.50 uur in het algemene kanaal start. 

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ontleden
Taalkundig ontleden
  • hulpwerkwoord, zelfstandig werkwoord, koppelwerkwoord
  • bijvoeglijk naamwoord vs. bijwoord

Redekundig ontleden
  • werkwoordelijk gezegde vs. naamwoordelijk gezegde
  • onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp

Slide 6 - Tekstslide

+15min. Andere punten?
hulpww. - zelfst. ww. - koppelww.
Bepaal wat het belangrijkste werkwoord in de zin is. 

  • het meest inhoudelijk
  • weglaten onmogelijk 
  • iedere (hoofd- en bij)zin heeft er één
  • bij meerdere werkwoorden in de zin vaak achteraan

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

hulpww. - zelfst. ww. - koppelww.
Wij wilden ons bij de receptie melden

  • Wij melden ons bij de receptie. 
  • *Wij wilden ons bij de receptie.

 'melden' > het belangrijkste werkwoord

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

hulpww. - zelfst. ww. - koppelww.
Hij was er verbaasd over dat wij ons niet hadden aangemeld.

  • Het verbaasde hem dat wij ons niet aanmeldden
  • *Hij was over dat wij ons niet hadden

'verbaasd' en 'aangemeld' > de belangrijkste werkwoorden

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

hulpww. - zelfst. ww. - koppelww.
Hij was er verbaasd over dat wij ons niet hadden aangemeld.

  • Het verbaasde hem dat wij ons niet aanmeldden
  • *Hij was over dat wij ons niet hadden

'verbaasd' en 'aangemeld' > de belangrijkste werkwoorden

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ik kreeg het formulier niet verstuurd, doordat ik niet alle verplichte velden had ingevuld.

Slide 11 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Het zou fijn zijn als je vanavond niet steeds over je hobby’s uitweidt.

Slide 12 - Open vraag

+20min. 
hulpww. - zelfst. ww. - koppelww.
Bepaal of het belangrijkste werkwoord een zelfstandig werkwoord OF een koppelwerkwoord is. 

Staat het belangrijkste werkwoord NIET in het rijtje: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen? Dan is het een zelfstandig werkwoord

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

hulpww. - zelfst. ww. - koppelww.
Het blijft lang sneeuwen

Het sneeuwt lang. 
*Het blijft lang. 

'sneeuwt' is het belangrijkste werkwoord
'sneeuwt' staat NIET in het rijtje mogelijke koppelwerkwoorden
'sneeuwt' is een zelfstandig werkwoord

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

hulpww. - zelfst. ww. - koppelww.
Staat het belangrijkste werkwoord WEL in het rijtje: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen

Controleer dan of het belangrijkste werkwoord een koppeling maakt tussen het onderwerp en een (zinsdeel met een) bijvoeglijk naamwoord of zelfstandig naamwoord

Ja? Dan is het belangrijkste werkwoord een koppelwerkwoord. 
Nee? Dan is het belangrijkste werkwoord een zelfstandig werkwoord. 

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

hulpww. - zelfst. ww. - koppelww.
Het meisje wil tandarts worden

Het meisje wordt tandarts. 
*Het meisje wil tandarts. 

'wordt' is het belangrijkste werkwoord
'wordt' staat in het rijtje mogelijke koppelwerkwoorden
'wordt' koppelt het onderwerp 'het meisje' aan een zinsdeel met een zelfstandig naamwoord 'tandarts'
'wordt' is een koppelwerkwoord


Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

hulpww. - zelfst. ww. - koppelww.
Bepaal wat de hulpwerkwoorden in de zin zijn. 

  • Alle werkwoorden in de (hoofd- en bij)zin die GEEN belangrijkste werkwoord zijn, zijn hulpwerkwoorden. 
  • Zonder de hulpwoorden kun je nog steeds een grammaticaal correcte zin maken (zie ook stap 1 en 2). 


Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies






In welke winkel heb je die aanbieding gezien?

Slide 18 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies






Je hoeft niet te weten wat ik hem ga geven.

Slide 19 - Open vraag

+25min. 





Het tentamen zal moeilijk worden.

Slide 20 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

werkwoordelijk gezegde vs. naamwoordelijk gezegde
Staat het belangrijkste werkwoord NIET in het rijtje:  zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen? Dan is het een zelfstandig werkwoord

In de zin staat dan een werkwoordelijk gezegde. 
Het werkwoordelijk gezegde bestaat dan uit alle werkwoorden in de zin

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

werkwoordelijk gezegde vs. naamwoordelijk gezegde
Het blijft lang sneeuwen

Het sneeuwt lang. 
*Het blijft lang. 

'sneeuwt' is het belangrijkste werkwoord
'sneeuwt' staat niet in het rijtje mogelijke koppelwerkwoorden
'sneeuwt' is een zelfstandig werkwoord
Het werkwoordelijk gezegde is 'blijft sneeuwen'. 

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

werkwoordelijk gezegde vs. naamwoordelijk gezegde
Staat het belangrijkste werkwoord WEL in het rijtje: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen

Controleer dan of het belangrijkste werkwoord een koppeling maakt tussen het onderwerp en een (zinsdeel met een) bijvoeglijk naamwoord of zelfstandig naamwoord

Ja? Dan is het belangrijkste werkwoord een koppelwerkwoord
In de zin staat dan een naamwoordelijk gezegde
Het naamwoordelijk gezegde bestaat dan uit alle werkwoorden in de zin en het zinsdeel met het bijvoeglijk of zelfstandig naamwoord


Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

werkwoordelijk gezegde vs. naamwoordelijk gezegde
Het meisje wil tandarts worden

Het meisje wordt tandarts. 
*Het meisje wil tandarts. 

'wordt' is het belangrijkste werkwoord
'wordt' staat in het rijtje mogelijke koppelwerkwoorden
'wordt' koppelt het onderwerp 'het meisje' aan een zinsdeel met een zelfstandig naamwoord 'tandarts'
'wordt' is een koppelwerkwoord
Het naamwoordelijk gezegde is 'wil tandarts worden'. 


Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ik moet nog een werkstuk afmaken.

Slide 25 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Het proefwerk is moeilijk.

Slide 26 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Die nieuwe dokter lijkt mij een enge man.

Slide 27 - Open vraag

+30min. 
Ontleden
Taalkundig ontleden
  • hulpwerkwoord, zelfstandig werkwoord, koppelwerkwoord
  • bijvoeglijk naamwoord vs. bijwoord

Redekundig ontleden
  • werkwoordelijk gezegde vs. naamwoordelijk gezegde
  • onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

bijvoeglijk nw. vs. bijwoord
bijvoeglijk naamwoord
> zegt iets over zelfstandig naamwoord

'Die nieuwe buurman lijkt me heel aardig.' 
nieuwe buurman
aardige buurman
'aardige' en 'nieuwe' zijn bijvoeglijke naamwoorden

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

bijvoeglijk nw. vs. bijwoord
bijwoord > zegt iets over een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord, een bijwoord, of de hele zin
  • Zij liepen hard. > 'hard' zegt iets over 'liepen' 
  • Zij liepen erg hard. > 'erg' zegt iets over 'hard'
  • Gisteren liepen zij heel erg hard. > 'gisteren' zegt iets over de hele zin


Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De plaatselijke politie denkt dat het een criminele bende is.

Slide 31 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Natuurlijk werd hij boos.

Slide 32 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Sommige hobby’s zijn levensgevaarlijk.

Slide 33 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Hij schrijft veel in Wikipedia.

Slide 34 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Ontleden
Taalkundig ontleden
  • hulpwerkwoord, zelfstandig werkwoord, koppelwerkwoord
  • bijvoeglijk naamwoord vs. bijwoord

Redekundig ontleden
  • werkwoordelijk gezegde vs. naamwoordelijk gezegde
  • onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

onderwerp, lijd. vw. en meew. vw.
  • onderwerp > getalsproef
  • lijdend voorwerp > wie of wat + wordt + belangrijkste werkwoord?
  • meewerkend voorwerp > wie of wat ondergaat, ontvangt, verneemt, van wie wordt iets afgenomen? aan wie/voor wie/bij wie + wordt + belangrijkste werkwoord?

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

onderwerp, lijd. vw. en meew. vw.
  • onderwerp > getalsproef

Je hebt die mensen dat nieuws niet verteld.
Jullie hebben die mensen dat nieuws niet verteld. 

'je' is het onderwerp

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

onderwerp, lijd. vw. en meew. vw.
  • lijdend voorwerp > wie of wat + wordt + belangrijkste werkwoord?

Je hebt die mensen dat nieuws niet verteld.
Wat wordt verteld?
'dat nieuws' is het lijdend voorwerp

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

onderwerp, lijd. vw. en meew. vw.
  • meewerkend voorwerp > wie of wat ondergaat, ontvangt, verneemt, van wie wordt iets afgenomen? 

Je hebt die mensen dat nieuws niet verteld.
Aan wie wordt verteld?
'die mensen' is het meewerkend voorwerp

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Maak jij voor hem even iets lekkers klaar?

Slide 40 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Het voetbalteam overhandigde de trofee aan de trotse trainer.

Slide 41 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Ontleden
Taalkundig ontleden
  • hulpwerkwoord, zelfstandig werkwoord, koppelwerkwoord
  • bijvoeglijk naamwoord vs. bijwoord

Redekundig ontleden
  • werkwoordelijk gezegde vs. naamwoordelijk gezegde
  • onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp

Slide 42 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies