cross

2C/2D H5 mercredi 6 mai

1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Regels Teams
  • Iedereen heeft zijn microfoon uit.
  • Aan het einde van de les kan je je microfoon weer aanzetten als de docent het aangeeft.

Slide 2 - Tekstslide

2C/2D mercredi 6 mars
Doel : derde groep van de regelmatige ww leren

1. Herhaling     on répète: le temps qu'il fait et les pays
2. Nieuw            les verbes réguliers op -RE

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Quel temps fait-il?
A
Il fait mauvais
B
Il pleut
C
Il grêle
D
Il fait beau

Slide 5 - Quizvraag

Quel temps fait il?
A
Il fait chaud
B
Il fait beau
C
Il fait froid
D
Il y a du vent

Slide 6 - Quizvraag

Quel temps fait-il?

Slide 7 - Open vraag

Quel temps fait- il?

Slide 8 - Open vraag

Quel temps fait- il aujourd'hui ?

Slide 9 - Open vraag

Slide 10 - Tekstslide

les pays = de landen
Voor de meeste landen komt in het Frans een lidwoord voor. Sommige landen zijn :
1. mannelijk: vb le Danemark, le Maroc , le Portugal, le Maroc, le Canada
2. vrouwelijk:vb  la France, la Suède, la Belgique, la Hollande
3. meervoud: vb les  Pays-Bas, les Etats-Unis

Je herkent dat het een vrouwelijk land omdat het eindigt met een -e
 als het meervoud is eindigt het met een -s  (er zijn enkele uitzonderingen)

Slide 11 - Tekstslide

Lijst landen te leren f-n en n-f
l'Angleterre
l'Allemagne
la Belgique
l'Espagne
la France
la Grèce
l'Italie
la Hollande
la Pologne
la Suède
la Suisse
le Danemark
le Luxembourg
le Maroc
le Portugal 
le Canada
les Pays-Bas
les États-unis

Slide 12 - Tekstslide

Welk lidwoord komt hiervoor?
...........Canada
A
le
B
la
C
l'
D
les

Slide 13 - Quizvraag

Welk lidwoord komt hiervoor?
........Pays-Bas
A
le
B
la
C
l'
D
les

Slide 14 - Quizvraag

Welk lidwoord komt hiervoor?
............Espagne
A
le
B
la
C
l'
D
les

Slide 15 - Quizvraag

LE VERBE FRANCAIS

Slide 16 - Tekstslide

Les verbes réguliers 
Er zijn 3 groepen regelmatige werkwoorden:
verbes en -er
verbes en -ir
verbes en -re

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Leren f-n en n-f
FA
vendre
entendre
répondre
rendre
attendre
perdre
descendre*

NE
verkopen
horen
antwoord geven
teruggeven
wachten op
verliezen
uitstappen, naar beneden gaan

Slide 19 - Tekstslide

De stam
De stam maak je door -RE van het hele werkwoord  af te halen. Later plak je hier de uitgangen achter...

Bijvoorbeeld:
perdre --> perd-
rendre --> rend-

Slide 20 - Tekstslide

De uitgangen

Slide 21 - Tekstslide

De passé composé
Il a perdu= hij heeft verloren


Let op! Het voltooid deelwoord van werkwoorden op -re eindigt dus op -u
attendu - entendu - rendu

Slide 22 - Tekstslide

verbes réguliers passé composé
De passé composé bestaat altijd uit twee onderdelen:
1  Een vorm van avoir of être (het hulpwerkwoord)
2  Het voltooid deelwoord

Het voltooid deelwoord van de ww op –er eindigt op - é
 
J’ai parlé
    Het voltooid deelwoord van de ww op –re eindigt op -u
   
J’ai vendu
Het voltooid deelwoord van de ww op –ir eindigt op  -i
    
J’ai fin

 Om de passé composé te maken moet je goed
de hulpwerkwoorden 
AVOIR en ÊTRE kennen!!

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

verbes réguliers présent et passé composé
Ik kan nu alle regelmatige ww vervoegen!

 
PARLER 
Je parl
Tu parl es 
Il/elle/on parl
Nous parl ons 
Vous parl ez 
Ils/elles parl ent 


J'ai parl é

VENDRE 
Je vend
Tu vend s 
Il/elle/on vend 
Nous vend ons 
Vous vend ez 
Ils /elles vend ent 


J' ai vend u
FINIR
Je fini 
Tu fini s 
Il /elle/on fini 
Nous fini ssons 
Vous fini ssez 
Ils/elles fini ssent
 

J'ai fin i

Slide 25 - Tekstslide

Van welke werkwoord zijn dit de uitgangen ?
-is | -is | -it | -issons | -issez | -issent
A
oublier
B
répondre
C
réussir
D
travailler

Slide 26 - Quizvraag

Van welk werkwoord zijn dit de uitgangen?
-e | -es | -e | -ons | -ez | -ent
A
oublier
B
attendre
C
pouvoir
D
remplir

Slide 27 - Quizvraag

Van welk werkwoord zijn dit de uitgangen?
-s | -s | - | -ons | -ez | -ent
A
entendre
B
parler
C
finir
D
vouloir

Slide 28 - Quizvraag

j'ai une question

Slide 29 - Open vraag

Slide 30 - Video

Au travail!

  • Faire:  - opdracht 27 online
                     -  je oefent met verbuga (zie link volg. dia) Je vinkt aan:  
               1.  verbes réguliers   parler + finir +   vendre      
               2. présent en passé composé     

  • Réviser: de namen van de landen + de uitdrukkingen van het weer. 

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Link