In deze les zitten 10 slides, met tekstslides en 1 video.
Lesduur is: 50 min
Onderdelen in deze les
1. Wat is het verschil tussen een antigeen en antistof?
2. Bij welke bloedgroep maakt het niet uit van welke bloedgroep je donorbloed krijgt?
Slide 1 - Tekstslide
Bloedgroepen
Slide 2 - Tekstslide
Slide 3 - Video
Bloedgroepen
Bloedgroep: wordt bepaald door rode bloedcellen
De antigenen op de bloedcel bepalen de bloedgroep
Er zijn twee indelingen:
AB0-systeem
Rhesus-bloedgroepensysteem
Slide 4 - Tekstslide
Bloedgroepen
Er zijn 4 bloedgroepen:
Bloedgroep A
Bloedgroep B
Bloedgroep AB
Bloedgroep O
Slide 5 - Tekstslide
Bloedgroepen
- Bloedgroep A
- Bloedgroep B
- Bloedgroep AB
- Bloedgroep 0
- Antistoffen
- Antigenen
AB = universele ontvanger
O = universele donor
Slide 6 - Tekstslide
Bloeddonatie
Je krijgt alleen het antigeen van de donor, dus de rode bloedcel.
Je krijgt geen antistoffen.
Jouw antistoffen moeten niet ''passen'' op de antigenen van de donor.
Slide 7 - Tekstslide
Maken
Eerste 8 minuten in stilte
Zelf bestuderen/doorlezen: 9.4
Maken: opdracht 6, 7 en 8
Klaar? Afmaken werkblad practicum bloedgroepen
timer
8:00
Slide 8 - Tekstslide
Slide 9 - Tekstslide
Antwoord
Volgens correctievoorschrift: Uit de uitleg moet blijken dat het bloed van iemand met bloedgroep A anti-B bevat / dat iemand met bloedgroep A anti-B aanmaakt.
Voorbeeld: Silvio heeft bloedgroep A en daardoor anti-B is zijn bloed. Anti-B past op de antigenen van de rode bloedcellen van iemand met bloedgroep AB, waardoor er klontering optreedt.