D-Toets Portfolio :Indefinido / Imperfecto

Vervoeg de volgende werkwoorden in de indefinido.

1: yo ____
2: tú _____
3: él/ ella/ usted ______
4: nosotros ______
5: vosotros _____
6: ellos/ ellas/ ustedes _____
Vul de werkwoorden op deze manier in.
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Vervoeg de volgende werkwoorden in de indefinido.

1: yo ____
2: tú _____
3: él/ ella/ usted ______
4: nosotros ______
5: vosotros _____
6: ellos/ ellas/ ustedes _____
Vul de werkwoorden op deze manier in.

Slide 1 - Tekstslide


preparar

Slide 2 - Open vraag

escribir

Slide 3 - Open vraag

aprender

Slide 4 - Open vraag

ser

Slide 5 - Open vraag

tener

Slide 6 - Open vraag

querer

Slide 7 - Open vraag

Vervoeg de volgende werkwoorden in de imperfecto.

1: yo ____
2: tú _____
3: él/ ella/ usted ______
4: nosotros ______
5: vosotros _____
6: ellos/ ellas/ ustedes _____
Vul de werkwoorden op deze manier in.

Slide 8 - Tekstslide

practicar

Slide 9 - Open vraag

Ver

Slide 10 - Open vraag


tener

Slide 11 - Open vraag

Ir

Slide 12 - Open vraag

Elige la respuesta correcta 

Kies het juiste antwoord van de imperfecto.

Slide 13 - Tekstslide

De pequeño, mi abuelo siempre(jugar)______a la pelota con sus hermanos.
A
jugas
B
jugaba
C
jugaban
D
juguía

Slide 14 - Quizvraag

Todos los días nosotras (coger)_______el autobus para ir a la escuela.
A
cojíamos
B
cogímos
C
cogíamos
D
cogemos

Slide 15 - Quizvraag

De joven usted (ir)_______al cine en el centro de la ciudad.
A
ía
B
ibais
C
iban
D
iba

Slide 16 - Quizvraag

Elige la respuesta correcta 
Kies het juiste antwoord van de imperfecto.

Slide 17 - Tekstslide

En 2001 yo (comprar)______un coche nuevo carísimo.
A
comprado
B
compraste
C
compré
D
compró

Slide 18 - Quizvraag

El verano pasado vosotros (ir)_____a la playa en Zeeland.
A
fuisteis
B
fuiste
C
ísteis
D
iste

Slide 19 - Quizvraag

De repente el lobo (comer)______a la abuela.
A
comía
B
como
C
comió
D
come

Slide 20 - Quizvraag

Vertaal de signaalwoorden tussen de haakjes naar het Spaans.

Let op: Vul de antwoorden in op día 23.

Slide 21 - Tekstslide

Let op: Vul de antwoorden in op de volgende día. 

1. (eergisteren) yo fui a casa de mis abuelos de visita.
2. (vorige week) nosotras comimos en la escuela pizza.
3. (sinds ik klein was) yo voy a España de vacaciones.
4. Tú (nooit) viajaste en avión al extrangero.
5. (gewoonlijk) ella estudia mucho para los examenes.
6. (twee jaar geleden) compré un libro de Harry Potter.

Slide 22 - Tekstslide

Schrijf hier de antwoorden van de vorige día op.
Let op: Zet het nummer van de zinnen bij je antwoord.

Slide 23 - Open vraag

Vervoeg het werkwoord tussen de haakjes in de indefinido.

Slide 24 - Tekstslide

Mi hermana (jugar)______al tenis la semana pasada.

Slide 25 - Open vraag

Ustedes (vivir)_____en España en 1999.

Slide 26 - Open vraag

Mi madre (trabajar)_____en Mc Donald's cuando era joven.

Slide 27 - Open vraag

Yo (hablar)_____ayer con mi prima de Holanda.

Slide 28 - Open vraag

Vervoeg het werkwoord tussen de haakjes in de imperfecto.

Slide 29 - Tekstslide

¿Dónde (bailar)_______tu padre de joven?

Slide 30 - Open vraag

Ana siempre (ver)_______la televisión de noche.

Slide 31 - Open vraag

Cuando nosotros (estudiar)_______en la Universidad era muy difícil.

Slide 32 - Open vraag

Slide 33 - Tekstslide