spreken / luisteren - beter worden in zinsopbouw en Nederlandse woorden gebruiken (ipv Engels)
schrijven - dat gaat goed, bijhouden
lezen - Begrijpend lezen (?)
literatuur - 3 boeken (Nederlands)
woordenschat - meer moeilijkere woorden leren
Slide 3 - Tekstslide
'Verplichte' boeken
Slide 4 - Tekstslide
We bespreken drie onderstaande vragen:
1. Wat wordt bedoeld met een tekstverband?
2. Waarom gebruik je tekstverbanden?
3. Hoe herken je tekstverbanden?
Slide 5 - Tekstslide
Leerdoelen
Je weet hoe een schrijver tekstverbanden en signaalwoorden gebruikt om een tekst tot een geheel te maken.
Slide 6 - Tekstslide
Slide 7 - Video
samenvattend tekstverband= je doet dat vaak in het slot
kortom, samengevat, met andere woorden, al met al
redengevend tekstverband= waarom iemand iets doet of vindt
dus, daarom, omdat, want, de reden is, hiervoor, dankzij
oorzakelijk tekstverband= waardoor is iets gebeurd/ gekomen
doordat, daardoor, als gevolg van, het gevolg is, dus, dankzij
1. Zij heeft jarenlang gitaar gespeeld dus ze wil nu naar het conservatorium.
2. Er is vanavond een wedstrijd in de Johan Cruyffarena, daardoor kan het drukker zijn op de weg.
3. Johan heeft ruimte gemaakt in de schuur want hij gaat hem opknappen.
Tekstverbanden
vergelijkend tekstverband= welke overeenkomst hebben dingen wel of niet.
zoals, net als, in vergelijking net, evenals, meer.... dan
Slide 8 - Tekstslide
Hoeveel signaalwoorden zie je? Om te beginnen zit Joël in groep 3 met rekenen en in groep 4 met schrijven. Al met al is dat fijner dan eerst groep 3 volgen en vervolgens groep 4.
Slide 9 - Open vraag
Mijn broertje eet graag pannenkoeken, pizza's en hamburgers. Tekstverband?
A
middel/doel
B
tegenstelling
C
voorwaarde
D
opsomming
Slide 10 - Quizvraag
Welk signaalwoord hoort bij het chronologisch tekstverband?
A
ten eerste
B
toen
C
al met al
D
om te beginnen
Slide 11 - Quizvraag
Welk signaalwoord hoort NIET bij het tekstverband vergelijking?
A
zoals
B
zodat
C
evenals
D
net als
Slide 12 - Quizvraag
Welk signaalwoord hoort bij het tekstverband redengevend?
A
omdat
B
eerst
C
toch
D
waarmee
Slide 13 - Quizvraag
Welk tekstverband gebruik je om dingen achter elkaar op te noemen?