P1- week 2 Lidwoorden

¡Bienvenidos!
Mevrouw de Cuba
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

¡Bienvenidos!
Mevrouw de Cuba

Slide 1 - Tekstslide

Objetivos
  • Aan het eind van de les weet ik een aantal nieuwe woorden 
  • Aan het eind van de les ken ik het verschil tussen mannelijk en vrouwelijk zelfstandig naamwoorden in het Spaans
  • Aan het eind van de les weet ik hoe ik een zelfstandig naamwoord meervoud kan maken

Slide 2 - Tekstslide

El programa 
5 min -  Bienvenidos 
20 min - vocabulario 
10 min - Los artículos 
15 min - los ejercicios 
20 min - Lezen 
15 min - el vocabulario








Slide 3 - Tekstslide

Vocabulario Paso adelante 1.1 y 1.2
timer
20:00

Slide 4 - Tekstslide

Los artículos
de lidwoorden

Slide 5 - Tekstslide

Los artículos
  • De, het, een zijn Nederlandse lidwoorden 

  • In het Spaans zijn er mannelijke en vrouwelijke lidwoorden 

  • In het Spaans zijn er lidwoorden voor enkelvoud en voor meervoud

  • Een bepaald lidwoord is: de / het 

  • Een onbepaald lidwoord is: een / een paar 

  • De Spaanse bepaalde lidwoorden (de/het) zijn: el, la, los, las.

  • De Spaanse onbepaalde lidwoorden (een/eenpaar) zijn: un, una, unos, unas

Slide 6 - Tekstslide

Het lidwoord - el articulo

Slide 7 - Tekstslide

Los artículos

Leer dit schema uit je hoofd. Je kan het tijdens de toets op je blaadje schrijven als geheugensteuntje!
De lidwoorden
mannelijk
enkelvoud
vrouwelijk 
enkelvoud
mannelijk
meervoud
vrouwelijk 
meervoud
Bepaald lidwoord
de / het 
el
la
los
las
Onbepaald lidwoord
een / een paar 
un
una
unos
unas

Slide 8 - Tekstslide

Het lidwoord - el articulo

Slide 9 - Tekstslide

Voorbeelden

_____ libro      Dit is een mannelijk woord enkelvoud (o) dus: EL
_____ libros    Nu staat hetzelfde woord in het meervoud (s): LOS
_____ casa      Dit is een vrouwelijk woord enkelvoud (a): LA
_____ casas    Nu staat het woord in het meervoud (s): LAS

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Video

Vul het juiste lidwoord in
Bepaald lidwoord                                      Onbepaald lidwoord
1. _______ alemán                                         5. ______ perro
2. _______ ciudad                                         6. ______ rotuladores
3. _______ libros                                            7. _______ pizarras
4. _______ chicas                                          8. _______ inglés

Slide 12 - Tekstslide

Vul het juiste lidwoord in
Bepaald lidwoord                                      Onbepaald lidwoord
1. el alemán                                                   5. un perro
2. la ciudad                                                    6. unos rotuladores
3. los libros                                                     7. unas pizarras
4. las chicas                                                   8. un inglés

Slide 13 - Tekstslide

Mannelijke en vrouwelijke zelfstandig naamwoorden?
Hoe herken je die in het Spaans?
Mannelijke zelfstandig 
naamwoorden eindigen op:
 -O: zoals EL libro (het boek), EL niño  (de jongen), EL cuaderno (het schrift)
 -L: zoals EL hotel (het hotel), EL árbol (de boom) 
 -AJE: zoals EL equipaje (de bagage), EL garaje (de garage)
 -OR: zoals EL amor (de liefde) EL vendedor (de verkoper)


Vrouwelijke zelfstandig naamwoorden eindigen op:
-A: zoals LA casa (het huis), LA niña 
(het meisje) LA bicicleta (de fiets)
-SIÓN: LA decisión (de beslissing) 
-CIÓN: LA estación (het station) 
-DAD: LA edad (de leeftijd) LA verdad (de waarheid)
-TAD: LA libertad (de vrijheid),
 -ED: LA pared (de muur)


Slide 14 - Tekstslide

Mannelijke en vrouwelijke zelfstandig naamwoorden?
Hoe maak je daar meervoud van in het Spaans?
1. We beginnen bij de lidwoorden die we voor meervoud gebruiken:
Dat wordt LOS of LAS als het om een bepaald lidwoord gaat.
Gaat het om een onbepaald lidwoord gebruiken we UNOS of UNAS.

2. Dan maken we van een zelfstandig nw in enkelvoud, meervoud:
 vb: EL NIÑO wordt in het meervoud LOS NIÑOS
       LA NIÑA wordt in het meervoud LAS NIÑAS
 
en: EL TREN wordt in het meervoud LOS TRENES
      LA REACCIÓN wordt in het meervoud LAS REACCIONES




Slide 15 - Tekstslide

¡A trabajar!
¿Qué?  p. 5 en 6 ejercicio 1,2 y 3. 
¿Cómo? Individualmente 
¿Tiempo? 25 minutos 
¿Meta? aprender un poco sobre la cultura española y el español 



timer
25:00

Slide 16 - Tekstslide

Corregir
A. plaza, estación, museo, calle, tapas, restaurante, policía

B. Voorbeelduitwerking:
¡Hola!, agua, playa, paella, supermercado, fiesta, hamburguesa

C. plaza, estación, museo, calle, tapas, restaurante, policía
ejercicio  1
1. shakira 
2. enrique iglesias 
3. Christina aguilera 
4. Ricky Martin
Ejercicio 2
1. B
2. A
3. B
4. B
5. B
6. B
7. A
8. C
9. A
10. C
Ejercicio 3

Slide 17 - Tekstslide

Leesvaardigheid klas 1
Tips leesvaardigheid
Oefenen met leesvaardigheid

Slide 18 - Tekstslide

Tips voor leesvaardigheid
Het meest belangrijke:
veel teksten lezen en 
regelmatig oefenen.

Slide 19 - Tekstslide

Strategieën tijdens de leestoets
Voor het lezen:
  • Bekijk titel, plaatjes, tussenkopjes!
  • Waar denk je dat de tekst over gaat?
  • Wat voor soort tekst is het? Is het bijvoorbeeld een brief, mail, artikel of advertentie?
  • Wat weet ik al over het onderwerp?  

Slide 20 - Tekstslide

Tijdens het lezen:
  • Je kunt de tekst vervolgens op verschillende manieren lezen:
  • Eerst ga je de tekst skimmen, dat is de tekst snel lezen zodat je ongeveer weet waar de tekst over gaat. Je bekijkt de opvallende stukjes en per alinea de eerste en laatste zin.
  • Daarna ga je de tekst scannen, waarbij je op zoek gaat naar specifieke informatie.
  • Tot slot ga je de tekst intensief lezen, waarbij je de tekst helemaal gaat lezen.

Slide 21 - Tekstslide

Het beantwoorden van de vragen:
Als bij vragen regelnummers/ alinea's worden gegeven, 
is het handig als je de hele alinea daar omheen leest,  
want soms weet je pas wat het juiste antwoord is, 
als je de hele context kent.

Slide 22 - Tekstslide

Tekstbegrip
  • Begrijp je een zin helemaal niet, ga dan op zoek naar het werkwoord (let op, soms is er een hulpwerkwoord met een voltooid deelwoord aan het einde)
  • Ga dan op zoek naar het onderwerp (wie/wat doet dit). Dan heb je al de kern van de zin. 

Slide 23 - Tekstslide

Tot slot!
Probeer bij elke vraag het juiste stuk tekst te vinden waar je het antwoord kunt vinden. Hierdoor lees je dus sommige stukjes meerdere keren. Wanneer je het antwoord echt niet kunt vinden, ga je naar de volgende vraag en kun je er later op terugkomen. Misschien heb je dan het antwoord al op een andere plek zien staan!


Slide 24 - Tekstslide

Vocabulario 
-Trabajamos en silencio 
- Tiempo: 15 minutos
-Ejercicio 6 y 7. 



timer
15:00

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Weet jij wat de hoofdstad van Spanje is?
A
Barcelona
B
Valencia
C
Madrid
D
Santiago

Slide 28 - Quizvraag

Waar moet jij aan denken, als je aan Spanje denkt?
Sleep ze naar de kaart van Spanje toe

Slide 29 - Sleepvraag

Welke Spaanstalige beroemdheden ken je?
Sleep de naam naar de juiste foto
Penélope Cruz
Lionel Messi
Máxima
Shakira
Daddy Yankee y Fonzi
Rafa Nadal

Slide 30 - Sleepvraag

Hoe kun je in het Spaans vragen: "Hoe gaat het?"
A
¿cómo estás?
B
ça va?
C
¿qué tal?
D
tudo bem?

Slide 31 - Quizvraag

Hoe zeg je in het Spaans "dankjewel"?
A
merci
B
grazie
C
gracias
D
danke schön

Slide 32 - Quizvraag

Hoe zeg je in het Spaans:
Ik woon in ...
A
Vivo en ...
B
Tengo ...
C
Me llamo ...
D
Tú tienes ...

Slide 33 - Quizvraag

Hoe zeg je in het Spaans:
Ik ben ... jaar oud.
A
Me llamo ...
B
Vivo en ...
C
Tengo ... años.
D
Te llamas ...

Slide 34 - Quizvraag

In welke landen wordt Spaans als 2e taal gesproken?
A
Mexico
B
Verenigde Staten
C
Brazilië
D
Equatoriaal Guinee (Centraal Afrika)

Slide 35 - Quizvraag

Hoe zeg je in het Spaans:
Ik heet ...
A
Te llamas
B
Yo tengo
C
Tú tienes
D
Me llamo

Slide 36 - Quizvraag

Hoe kun je iemand in het Spaans begroeten?
A
¡hola!
B
¡buenos días!
C
bonjour!
D
ciao!

Slide 37 - Quizvraag

Hoeveel personen in de wereld spreken Spaans, denk jij?
A
ongeveer 170 miljoen
B
meer dan 500 miljoen
C
meer dan 350 miljoen
D
minder dan 300 miljoen

Slide 38 - Quizvraag