Modale werkwoorden Duits

Guten Morgen
Wie geht es euch?
1 / 48
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 3,4

In deze les zitten 48 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Guten Morgen
Wie geht es euch?

Slide 1 - Tekstslide

Modalverben
& wissen

Slide 2 - Tekstslide

Lernziele
In deze les leer je wat modale werkwoorden zijn.

Je leert de vertalingen van de modale werkwoorden.

Je leert de modale werkwoorden te vervoegen en toe te passen in een zin. 

Slide 3 - Tekstslide

Verschiedene Sorten Verben
  • zwakke werkwoorden ofwel regelmatige werkwoorden  (bijv. wohnen)
  • sterke werkwoorden of onregelmatige werkwoorden 
  • onregelmatige werkwoorden als: haben, sein, werden
  • onregelmatige werkwoorden als de modale werkwoorden (6)

Slide 4 - Tekstslide

Wat is een modaal werkwoord?
Een modaal werkwoord  (Modalverb)

  • staat samen met een infinitief (heel werkwoord) van een ander werkwoord in een zin
  •  verandert de betekenis van het werkwoord dat in de infinitief staat

Slide 5 - Tekstslide

Was ist ein Modalverb?
(schreibt auf!)
Een modaal werkwoord  (Modalverb)
  • Modale ww geven een noodzakelijkheid, waarschijnlijkheid, mogelijkheid of wenselijkheid aan. 
  • Staat meestal samen met een infinitief (heel werkwoord) van een ander werkwoord in een zin
  •  Verandert de betekenis van het werkwoord dat in de infinitief staat

Slide 6 - Tekstslide

Heb je dat in het Nederlands ook?
Ja, kijk maar:
'hij eet' -> zegt iets over wat hij op het moment doet.
'hij wil eten' -> hier verandert het werkwoord 'willen' de betekenis van 'eten' en de zin: het is zijn wens iets te eten.
'hij kan eten' -> hier net zo: hij kan eten, maar moet niet.

'willen' en 'kunnen' zijn voorbeelden van modale werkwoorden.


Slide 7 - Tekstslide

Modale werkwoorden
De modale werkwoorden worden anders vervoegd dan zwakke werkwoorden; je moet ze uit het hoofd leren.

Wij kunnen een ijsje kopen. (können)
Jullie mogen in de zee zwemmen. (dürfen)
Ik moet nu naar bed gaan. (sollen)
Wij willen pizza eten (wollen). 

Slide 8 - Tekstslide

Modalverben auf Deutsch:

Slide 9 - Tekstslide

Also...
(schreibt auf!)
  • dürfen   = mogen
  • können = kunnen
  • mögen  = lusten, lekker vinden, houden van, leuk vinden
  • müssen = moeten als noodzaak; ik moet optijd opstaan omdat...
  • sollen  = moeten als wens van een ander, ovrdenking (zullen) en bevel
  • wollen  = willen
  • (wissen = weten - geen modaal ww, maar net zo vervoegd)

Slide 10 - Tekstslide

Modale werkwoorden
Modale werkwoorden hebben een "extra" eigen betekenis en staan nooit  alleen in een zin.

können
dürfen
müssen
sollen
wollen
mögen

Slide 11 - Tekstslide

Was ist jetzt anders?
  • Ze hebben bijna allemaal een klinkerwisseling in de enkelvoudsvormen.
  • De uitgangen wijken af in vergelijk met het vervoegen zwakke ww (ich/er/sie/es krijgen geen uitgang). 

Slide 12 - Tekstslide

Präsens (tegenwoordige tijd)
dürfen
können
mögen
müssen
sollen
wollen
ich darf
ich kann
ich mag
ich soll
du darfst
du kannst
du magst
du sollst
er/sie/es darf
er/sie/es kann
er/sie/es mag
er/sie/ es soll
wir dürfen
wir können
wie mögen
wir sollen
ihr dürft
ihr könnt
ihr mögt 
ihr sollt
sie/Sie dürfen
sie/Sie können
sie/Sie mögen
sie/Sie sollen

Slide 13 - Tekstslide

Taalregels: Präteritum von Modalverben
vt stam
können
konn
te
müssen
muss
te
dürfen
durf
te
wollen
woll
te
wissen
wuss
te
i
-
d
st
e
-
w
n
i
t
s
n

Slide 14 - Tekstslide

Klinkerwisseling 
(schreibt auf!)
Verb                                             Singular                              Plural
dürfen                                        a = ich darf                        ü = wir dürfen
können                                      a = ich kann                      ö  = wir können
mögen                                       a = ich mag                       ö = wir mögen
müssen                                     u = ich muss                     ü = wir müssen
sollen                                         o = ich soll                          o = wir sollen
wollen                                        i = ich will                            o = wir wollen
wissen                                       eiß = ich weiß                   iss = wir wissen
 

Slide 15 - Tekstslide

Die Endungen im Präsens
(schreibt auf!)
ich                   - !!!!!! (geen uitgang)
du                   (s)t
er/sie/es       -   !!!!!! (geen uitgang)
wir                   en
ihr                    t
sie/Sie           en

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Bij welke vorm hebben modale werkwoorden geen uitgang?
A
ich en du
B
ich en er/sie/es
C
ich en wir
D
er/sie/es en ihr

Slide 18 - Quizvraag

In de volgende video
worden de modale werkwoorden nog eens vervoegd



Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Übersetze:
hij kan

A
Er könne
B
Er kann
C
Er kannt
D
Er könnt

Slide 21 - Quizvraag

Übersetze:
jij mag (toestemming)
A
du darfst
B
du magst
C
du darf
D
du mag

Slide 22 - Quizvraag

(wissen)
Er ___ nicht, ob er heute noch kommt.
A
wiss
B
wisst
C
weißt
D
weiß

Slide 23 - Quizvraag

(wollen)
Du _____ keine Hausaufgaben machen.

A
woll
B
will
C
willst
D
wollst

Slide 24 - Quizvraag

Modalverben im Präteritum

Slide 25 - Tekstslide

Modalverben im Präteritum
(schreibt auf!)
dürfen = durften
können = konnten
müssen = mussten
wollen = wollten
wissen = wussten

Slide 26 - Tekstslide

Die Endungen im Präteritum
(schreibt auf)
ich stam + e
du stam + est
er/sie/es stam + e
wir stam + en
ihr stam + et
sie/Sie stam + en

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Präteritum
(wollen) Ich ______ nach Hause gehen.
A
wollte
B
willte
C
wollt
D
willt

Slide 29 - Quizvraag

Präteritum
(dürfen) ______ du in die Disko gehen?
A
dürftest
B
darftest
C
durftest
D
willt

Slide 30 - Quizvraag

Präteritum
(wissen) ______ er, dass die letzte Stunde ausfiel?
A
wisste
B
wusste
C
weißte

Slide 31 - Quizvraag

Wat helpt je bij het leren?
  • Bij 3 van deze werkwoorden is de klinker in het enkelvoud zoals in het Nederlandse enkelvoud:
    - dürfen (= mogen, ik mag)   ->  ich darf
    - können (= kunnen, ik kan)   > ich kann
    - wollen (= willen, ik wil)  > ich will

Slide 32 - Tekstslide

Wat helpt bij het leren?
Onthoud de eerste letters van het rijtje werkwoorden
dürfen - können - mögen - müssen - sollen - wollen - wissen

En maak hiermee een voor jou makkelijk te onthouden zin,
bijvoorbeeld:
de klas moet maar snel weg wezen
En verlink deze letters in je hoofd met de Modalverben ....

Slide 33 - Tekstslide

Afsluitend ...
Via onderstaande link vind je nog meer uitlegfilmpjes en extra oefeningen
 

Slide 34 - Tekstslide

Sterke werkwoorden
met een -a- / -e- in de stam

Slide 35 - Tekstslide

Wat is er nu anders bij de sterke werkwoorden?

Sterke werkwoorden krijgen in sommige vormen
een klinkerverandering in de stam


Slide 36 - Tekstslide

Dan is er een klinkerverandering
a -> ä
au -> äu

korte e -> i 
lange e -> ie


Slide 37 - Tekstslide

Mutter ... (schlafen = slapen ) am Wochenende immer aus.

Slide 38 - Open vraag

vb... sterk ww met "a" in de stam
fahren...sterk?      ja!    wij rijden/wij reden
Ich fahre
du fährst
er/sie/es fährt
wir fahren
ihr fahrt
sie/Sie fahren

Slide 39 - Tekstslide

 vb... sterk ww met "e" in de stam
sehen....sterk?       ja!   wij zien/ wij zagen
Ich sehe
du siehst
er/sie/es sieht
wir sehen
ihr seht
sie/Sie sehen

Slide 40 - Tekstslide

Probeer nu eens zelf
de juiste vorm
van het werkwoord te vinden

Slide 41 - Tekstslide

Mutter ... (sehen = zien) die Show im Fernsehen.

Slide 42 - Open vraag

Du ... (helfen) deiner Schwester mit den Hausaufgaben.

Slide 43 - Open vraag

Er zijn geen regels zonder uitzonderingen:

gehen, stehen
-> 
sterk, maar geen klinkerverandering
                                    (er geht, er steht)
nehmen, geben -> sterk, maar lange e wordt i
                                    (sie nimmt, du gibst)
stoßen -> = stoten, sterk in het D, geen a/e maar wel Umlaut
                                    (du stößt, er stößt)

Slide 44 - Tekstslide

Je kunt nu...
De vertaling van een aantal modale werkwoorden vinden.

je kunt een aantal modale werkwoorden vervoegen met behulp van je boek.

Slide 45 - Tekstslide

Ende

Slide 46 - Tekstslide

Machen:

Kapitel 3 Aufgabe 15+16 (online)

Slide 47 - Tekstslide

Wat zijn Modalverben (modale werkwoorden)?
A
Modale werkwoorden voegen een bepaalde modaliteit toe
B
Het zijn woorden die iets in de zin nader beschrijven
C
Modale werkwoorden duiden personen of zaken aan

Slide 48 - Quizvraag