Pitfalls/valkuilen

Pitfalls/valkuilen
Doel van de les:
Doel van deze les: na deze les weet je welke woorden hetzelfde klinken maar anders schrijft en dus ook een andere betekenis hebben. 

Good luck 🍀
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 4

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Pitfalls/valkuilen
Doel van de les:
Doel van deze les: na deze les weet je welke woorden hetzelfde klinken maar anders schrijft en dus ook een andere betekenis hebben. 

Good luck 🍀

Slide 1 - Tekstslide

It's or Its
It's is een afkorting van it is.
It is a nice day
Its gebruik je om "bezit" aan te geven.
The dog, its bone.

Slide 2 - Tekstslide

Then or Than
Then gebruik je bij "tijd". Het betekent toen of daarna
Then it was time to go home.
Than gebruik je bij vergelijkingen.
That movie was better than the other movie.

Slide 3 - Tekstslide

Their, There, or They're
Their betekent "van hun", het geeft bezit aan.
That is their car.
There betekent "daar" of "er"
My sister is over there.
They're is een afkorting van They are. Het betekent zij zijn.
They are not at school.

Slide 4 - Tekstslide

to, too, or two
TO hoort bij een werkwoord of het betekent "naar toe".
We are going to Spain.
TOO betekent "te" als in "te veel".
There are too many people here.
TWO betekent twee.
I have two cats.


Slide 5 - Tekstslide

Most people have ___ hands.
A
two
B
to
C
too

Slide 6 - Quizvraag

Don't stay up ___ late!
A
two
B
to
C
too

Slide 7 - Quizvraag

We're going ___ London next year.
A
two
B
to
C
too

Slide 8 - Quizvraag

When you bake cupcakes, you have ___ use the oven.
A
two
B
to
C
too

Slide 9 - Quizvraag

I love you ___.
A
two
B
to
C
too

Slide 10 - Quizvraag

Five plus ___ is seven.
A
two
B
to
C
too

Slide 11 - Quizvraag

Can we go ___ the supermarket now?
A
two
B
to
C
too

Slide 12 - Quizvraag

His music is ___ loud!
A
two
B
to
C
too

Slide 13 - Quizvraag

Your or You're
Your geeft bezit aan. Iets is van jou of jullie.
"That is your car."

You're is een afkorting van You are en betekent jij bent of jullie zijn
"You are 15 years old"

Slide 14 - Tekstslide

What's ____ name?
A
your
B
you're

Slide 15 - Quizvraag

I like ____ shoes.
A
your
B
you're

Slide 16 - Quizvraag

____ my best friend!
A
Your
B
You're

Slide 17 - Quizvraag

I think ____ older than her.
A
your
B
you're

Slide 18 - Quizvraag

I borrowed ____ pen.
A
your
B
you're

Slide 19 - Quizvraag

Where / Were / We're:
Where = waar (plaats)                                      We're = we are (wij zijn)
              Where were you last night?             We're best friends.  
              Where are you going?                        We're so happy!

Were = was (waren)
              We were having dinner. 
              They were always nice to us. 

Slide 20 - Tekstslide

____ students.
A
Where
B
We're
C
Were

Slide 21 - Quizvraag

He says ____ stupid.
A
where
B
we're
C
were

Slide 22 - Quizvraag

____ do you live?
A
Where
B
We're
C
Were

Slide 23 - Quizvraag

We ____ just six years old.
A
where
B
we're
C
were

Slide 24 - Quizvraag