Grammatica - meewerkend voorwerp

WELKOM

bij Nederlands
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo k, t, havoLeerjaar 1,2

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

WELKOM

bij Nederlands

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we vandaag doen?
  • Herhaling pv, ow, wg, lv
  • Uitleg meewerkend voorwerp 
  • Oefenen 
  • Check 

Slide 2 - Tekstslide

Herhaling

pv: vraagzin, tijd, getal veranderen

wg: alle werkwoorden in de zin

ow: wie (wat) + gezegde?

lv: wat (wie) + gezegde + onderwerp?


meewerkend voorwerp: 

aan/voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?

Slide 3 - Tekstslide

Meewerkend voorwerp

  • Aan / voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?
  • Check daarna of je aan of voor kunt weglaten of toevoegen. 


Slide 4 - Tekstslide

Voorbeeld

  • Ik wil aan mijn tante een grote bos bloemen geven.
  • Ik / wil / aan mijn tante / een grote bos bloemen / geven
  • wg = wil geven
  • ow = ik (Wie wil?)
  • lv = een grote bos bloemen (Wat wil ik geven?)
  • mv --> Aan wie wil ik een een grote bos bloemen geven? aan mijn tante
  • Controle: kan ik aan weglaten? 
  • JA: Ik wil mijn tante een grote bos bloemen geven. --> meew. voorwerp

Slide 5 - Tekstslide

Voorbeeld

  • Ik wil aan mijn oma een knuffel geven.
  • Ik / wil / aan mijn oma / een knuffel / geven
  • wg = wil geven
  • ow = ik (Wie wil?)
  • lv = een knuffel (Wat wil ik geven?)
  • mv --> Aan wie wil ik een knuffel geven? aan mijn oma
  • Controle: kan ik aan weglaten? 
  • JA: Ik wil mijn oma een grote bos bloemen geven. --> meew. voorwerp

Slide 6 - Tekstslide

De postbode gaf ons pakketje aan de buurvrouw.

Wat is 'De postbode'?
A
meewerkend voorwerp
B
lijdend voorwerp
C
onderwerp
D
meewerkend voorwerp

Slide 7 - Quizvraag

De postbode gaf ons pakketje aan de buurvrouw.

Wat is 'ons pakketje'?
A
meewerkend voorwerp
B
lijdend voorwerp
C
onderwerp
D
meewerkend voorwerp

Slide 8 - Quizvraag

De postbode gaf ons pakketje aan de buurvrouw.

Wat is 'aan de buurvrouw'?
A
meewerkend voorwerp
B
lijdend voorwerp
C
onderwerp
D
meewerkend voorwerp

Slide 9 - Quizvraag

Maken:
H4 meewerkend voorwerp
Opdracht 1 t/m 3




Klaar? Ga verder met de oefenopdrachten op papier.




Slide 10 - Tekstslide

Wat is persoonsvorm (pv) in deze zin?

Ik geef mijn opa een boek voor zijn verjaardag.
A
Ik
B
geef
C
mijn opa
D
een boek

Slide 11 - Quizvraag

Wat is het onderwerp (ow) in deze zin?

Ik geef mijn opa een boek voor zijn verjaardag.
A
Ik
B
geef
C
mijn opa
D
een boek

Slide 12 - Quizvraag

Wat is het werkwoordelijk gezegde (wg) in deze zin?

Ik geef mijn opa een boek voor zijn verjaardag.
A
Ik
B
geef
C
mijn opa
D
geef voor zijn verjaardag

Slide 13 - Quizvraag

Wat is het lijdend voorwerp (lv)in deze zin?

Ik geef mijn opa een boek voor zijn verjaardag.
A
Ik
B
mijn opa
C
een boek
D
voor zijn verjaardag

Slide 14 - Quizvraag

Wat is het meewerkend voorwerp (mv) in deze zin?

Ik geef mijn opa een boek voor zijn verjaardag.
A
Ik
B
mijn opa
C
een boek
D
voor zijn verjaardag

Slide 15 - Quizvraag