Samenvatting: Het Weer

Samenvatting H2 Het weer
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo k, g, tLeerjaar 3

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Samenvatting H2 Het weer

Slide 1 - Tekstslide

kernpunten samenvatting
  • Verschillende thermometers
  • Graden Celsius (°C) versus Kelvin (K)
  • Fase (-overgangen)
  • Rekenen luchtvochtigheid
  • Omrekenen (lucht)-druk
  • Hoge- en Lage-luchtdrukgebied
  • Overdruk / onderdruk en daarbij rekenen!
  • Ontstaan wolken/onweer
  • Bliksem en donder

Slide 2 - Tekstslide

Verschillende thermometers
3 verschillende typen thermometers
  • digitaal
  • vloeistof
  • bimetaal

Voorbeelden thermometers
  • koorts thermometer
  • kookthermometer
  • thermostaat
  • aquarium thermometer
  • ...

Slide 3 - Tekstslide

bimetaal thermometer
  • Een bimetaal bestaat uit twee strips van verschillende metalen die stevig met elkaar zijn verbonden.
  • Als de temperatuur stijgt, zet de ene strip sterker uit dan de andere. Hierdoor trekt het bimetaal krom.
  • Bij verwarmen zet Messing zet meer uit dan staal => buitenbocht

Slide 4 - Tekstslide

Absolute nulpunt
  • Dit is de temperatuur waarbij de moleculen helemaal stil liggen.

0 Kelvin
=
  • - 273 graden Celcius

Slide 5 - Tekstslide

Deeltjesmodel en fase-overgangen
De drie eigenschappen van het deeltjesmodel  
  • moleculen veranderen niet, bewegen altijd en trekken elkaar aan
De drie fasen van een stof
  • vast, vloeibaar en gasvormig
De 6 fase overgangen van een stof
  • sublimeren, rijpen
  • verdampen, condenseren
  • stollen/bevriezen, smelten

Slide 6 - Tekstslide

luchtvochtigheid
Wat is luchtvochtigheid?
  • luchtvochtigheid is de hoeveelheid  waterdamp (g/m3) in de lucht.
Wat is relatieve luchtvochtigheid?
  • geeft de hoeveelheid waterdamp, t.o.v. de maximale                                                                         mogelijke hoeveelheid waterdamp, in procenten
Rel. Luchtvochtigheid = 
         hh waterdamp in lucht : max. hh waterdamp x 100%

Slide 7 - Tekstslide

Omrekenen
  • 1 bar = 1,0 x 105 Pa
  • 1 bar = 1000 mbar
  • 1 mbar = 1 hPa = 100 Pa
  • 1 Pa = 1 N/m2

Rood => staat in binas!

Slide 8 - Tekstslide

Werking barometer
  • in de barometer zit een dun doosje die makkelijk ingedrukt kan worden door de luchtdruk
  • Het witte metalen doosje, waarvan de lucht voor een groot deel is uitgepompt (vacuum).
  • de veer voorkomt dat doosje niet plat wordt
  • doosje reageert op veranderingen in de lucht
  • hoe verder ingedrukt, hoe hoger de luchtdruk in de buitenlucht, 

Slide 9 - Tekstslide

Het weer als de luchtdruk verandert..
  • Hoe hoger in de atmosfeer, hoe minder lucht boven je is, hoe lager de luchtdruk.

  • Lucht stroomt ALTIJD van H naar
     Dit is => wind


  • Hoe groter het verschil in luchtdruk, hoe harder het waait.

Slide 10 - Tekstslide

Hoge druk gebied:
Hoge druk = dalende lucht
Symbool op de kaart = H
Getal > 1000 mbar is H

Welk weertype hoort bij H?
  • geen bewolking, warm in de zomer en koud in de winter
Laag druk gebied
Lage druk = stijgende lucht
Symbool op de kaart = L
Getal < 1000 mbar = L

Welk weertype hoort bij L?
  • wolken, neerslag, koel in zomer, zacht in de winter

Isobaar: een lijn op de weerkaart dat punten met gelijke druk met elkaar verbindt

Slide 11 - Tekstslide

Overdruk / onderdruk
  • Overdruk is een ruimte waar de druk hoger is dan erbuiten.
  • Onderdruk is een ruimte waar de druk lager is dan erbuiten. 

  • Druk meten in een ruimte => Manometer (eenheid bar)

  • Manometers geeft overdruk weer (verschil luchtdruk buiten - binnen)

  • Luchtdruk in band = luchtdruk buiten band + overdruk in band

Slide 12 - Tekstslide

Onstaan van mooiweerwolken

  • Temperatuur opstijgende luchtbellen niet veel hoger dan de omringende lucht. 

  • Zo’n luchtbel stijgt dan langzaam en bereikt geen grote hoogte. 

  • Hier stroomt de lucht rustig.
Ontstaan buienwolken

  • Temperatuur opstijgende lucht veel warmer is dan de omringende lucht.
  • Luchtbellen bereiken een grote hoogte 
  • Je krijgt dan grote wolken met een donkere onderkant. 
  • Boven in de wolken vormen zich ijskristallen. Deze groeien tot ze te zwaar zijn. 
  • Ze vallen dan uit de wolk naar beneden.

Slide 13 - Tekstslide

Bliksem en donder

Waarom zie je pas eerst de bliksemstraal en hoor je later de donder?
  • Snelheid licht     =  300 000 000 m/s  (300 miljard-meter/s)
  • Snelheid geluid =                               340 m/s

Formule: afstand onweer?
  • Afstand (s) = snelheid (v)  x  tijd (t)
  • s= afstand in meters    ;    v = snelheid in m/s    ;    t = tijd in seconden

Slide 14 - Tekstslide

Zelfstandig werken
  • HW Nask1 afmaken
  • nakijken/aftekenen
  • Bekijk Powerpoint in de studiewijzer


Volgende les => Oefentoets H2

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Bestaat er een lagere temperatuur dan 0K
A
ja
B
nee

Slide 17 - Quizvraag

Bereken de temperatuur in graden Celsius als de temperatuur 200 K is
A
-73
B
473
C
73
D
kan niet

Slide 18 - Quizvraag

Een stof wordt afgekoeld. Op een gegeven moment daalt de temperatuur van de stof niet meer.
Hoe heet deze temperatuur en welke temperatuur is het?
A
Het absolute vriespunt bij 0 K
B
Het absolute nulpunt bij 0 K
C
Het absolute vriespunt bij 0 ℃
D
Het absolute nulpunt bij 0 ℃

Slide 19 - Quizvraag


Per graad temperatuurstijging, zet aluminium 2x zoveel uit dan staal. Welke richting zal het bimetaal kromtrekken als de temperatuur groter wordt?
A
Beneden
B
Boven

Slide 20 - Quizvraag

Welke fase is een stof na condenseren?
A
Vaste fase
B
Vloeistof fase
C
Gasfase

Slide 21 - Quizvraag

Welke fase is water als het 105°C is?
A
Vast
B
Vloeibaar
C
Gas

Slide 22 - Quizvraag

Wat is mist?
A
kleine vlokjes bevroren water
B
kleine druppels vloeibaar water
C
kleine gasvormige waterdampbelletjes
D
waterdampdruppels in gasvormige lucht

Slide 23 - Quizvraag