Taal Compleet 3.9
Learning objective
Taal Compleet 3.9
Learning objective
organiseren
Betekenis: iets plannen en regelen.
Woordsoort: werkwoord
Voorbeeldzin: Wij organiseren volgende week een schoolfeest.
het uitje
Betekenis: een leuke activiteit buitenshuis, vaak met een groep.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Meervoud: de uitjes
Voorbeeldzin: Het schooluitje was erg gezellig.
het voorstel
Betekenis: een idee of plan dat iemand aan anderen vertelt.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Meervoud: de voorstellen
Voorbeeldzin: Iedereen vond haar voorstel een goed idee.
varen
Betekenis: met een boot over het water reizen.
Woordsoort: werkwoord
Voorbeeldzin: In de zomer varen we vaak op het meer.
de mening
Betekenis: wat iemand denkt of vindt van iets.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Meervoud: de meningen
Voorbeeldzin: Iedereen mag zijn eigen mening hebben.
klinkt (van klinken)
Betekenis: hoe iets gehoord wordt; hoe een geluid overkomt.
Woordsoort: werkwoord (tegenwoordige tijd van klinken)
Voorbeeldzin: Dat klinkt als een goed plan.
saai
Betekenis: niet interessant of niet leuk.
Woordsoort: bijvoeglijk naamwoord
Voorbeeldzin: Ik vond de film een beetje saai.
de leerling
Betekenis: iemand die leert op school.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Meervoud: de leerlingen
Voorbeeldzin: De leerling maakt zijn huiswerk
bedenken
Betekenis: een idee maken of ergens over nadenken.
Woordsoort: werkwoord
Voorbeeldzin: Kun jij een leuke activiteit bedenken?
het thema
Betekenis: het hoofdonderwerp van iets.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Meervoud: de thema's
Voorbeeldzin: Het thema van de les is gezondheid.
de oorlog
Betekenis: een gewapende strijd tussen landen of groepen.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Meervoud: de oorlogen
Voorbeeldzin: In de geschiedenisles leerden we over de oorlog.
afspreken
Betekenis: samen bepalen wanneer of waar je elkaar ontmoet.
Woordsoort: werkwoord
Voorbeeldzin: We spreken morgen om drie uur af.
het plan
Betekenis: een idee over wat je gaat doen.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Meervoud: de plannen
Voorbeeldzin: We maken een plan voor de vakantie.
het Uitje
Iets leuks doen uit (buiten) huis.
Bijv: uiteten, shoppen, museum, pretpark
Voorbeeldzin:
Deze woensdag hebben wij een uitje georganiseerd.
Oorlog
Twee (of meer landen) die tegen elkaar vechten.
Twee legers die tegen elkaar vechten.
De oorlog.
Voorbeeldzin:
De tweede wereldoorlog begon in 1939.
Varen
Rijden op een boot
Mening
Wat jij denkt/vindt over een onderwerp.
Vind jij het mooi?Slecht?goed?leuk?stom? etc.