W17 - BIO - J2 - H - th 6 - bs 1&2

Thema 6 Ecologie 2H
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Thema 6 Ecologie 2H

Slide 1 - Tekstslide

Thema 6 Ecologie
wat gaan we leren:  
Bs 1) Wat is ecologie?
Bs 2) Voedselrelaties 
Bs 3) Kringlopen
Bs 4) Piramides
Bs 5) Populaties 
Bs 6) Successie 
Bs 5) Aanpassingen bij dieren
Bs 6) Aanpassingen bij planten

Slide 2 - Tekstslide

Thema 6 Ecolgie 
Bs 1) Wat is ecologie?
Wat gaan we leren:
- wat ecologie is;
- biotische- en abiotische factoren; 
- de niveaus van de ecologie. 

Slide 3 - Tekstslide

Wat is ecologie?
Het milieu heeft invloed op een organisme. 
(denk aan het fenotype dat o.a. tot stand kwam door het milieu. th 5)

Een organisme beinvloedt ook zijn milieu. 
(bijv. mensen hakken bomen om om meubels te maken)

Milieu = leefomgeving
Organisme = een levend wezen

Slide 4 - Tekstslide

Ecologie
Ecologie = studie die relaties tussen organismen en hun milieu onderzoekt
Oikos: huishouding/relaties
Logos: De leer van

De leer van de relaties in de natuur. 

Slide 5 - Tekstslide

Ecologie is:
"De leer van..
A
de relaties in de natuur
B
De levende organismen in de natuur
C
verscheidenheid in de natuur
D
de manier van voortbewegen van de organismen

Slide 6 - Quizvraag

Wat bestuderen we in de ecologie?
A
In de ecologie bestuderen we alle relaties (betrekkingen) tussen organismen en hun milieu
B
In de ecologie bestuderen we een milieu
C
In de ecologie bestuderen we de invloeden die afkomstig zijn van de levende natuur
D
A en B zijn beide goed

Slide 7 - Quizvraag

invloeden uit het milieu op een organisme
Er zijn 2 groepen die invloed kunnen hebben op een organisme:

1. Biotische factoren: invloeden die afkomstig zijn van levende natuur.


2. Abiotische factoren: invloeden die afkomstig zijn van levenloze natuur.
Biotoop = alle abiotische factoren in een bepaald gebied samen

Slide 8 - Tekstslide

Abiotische factoren
Niet-levende onderdelen 

 
Voorbeeld:
- regen 
- lucht
- wind 
-enz.

= Biotische factoren
Levende dieren, planten, schimmels of bacteriën.  

voorbeelden: 
soortgeoten -
voedsel -
roofdrieren -
enz. -

Slide 9 - Tekstslide

De niveaus van de ecologie 
Je kan alles op de aarde in verschillende niveaus verdelen. 

Je kan dit vergelijke met je kledingkast waar je kleren in zitten. 
Je kleren kan je weer verdelen in broeken en T-shirts. 
Je broeken kan je weer verdelen in broeken met lange- en korte pijpen. 
De broeken met lange pijpen kan je weer verdelen in spijkerbroeken en joggingbroeken enz. 

Slide 10 - Tekstslide

Niveaus van de ecologie 
De niveaus van klein naar groot:

Individu = 1 enkel organisme
Populatie = een groep organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied, die samen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.
levensgemeenschap =  alle populaties in een gebied
Ecosysteem = bepaald gebied waar biotische- en abiotische factoren samen een eenheid vormen.

Slide 11 - Tekstslide

wat zijn de vier niveau's van de ecologie van klein naar groot?
A
individu, populatie, levensgemeenschap, ecosystemen
B
levensgemeenschap, individu, populatie, ecosystemen

Slide 12 - Quizvraag

Slide 13 - Tekstslide

Thema 6 Ecolgie 
Bs ) Voedselrelaties 
Wat gaan we leren:
- De verschillende soorten 'eters';
-  wat een voedselketen is;
- wat een voedselweb is;
- wat producent, consument, en reducent betekend; 
- wat een kringloop is. 

Slide 14 - Tekstslide

Voedselrelaties 
Planteneters = organismen die planten eten
Vleeseters = organismen die vlees eten 
Alleseters = organismen die en planten en vlees eten. 
Afvaleters /reducenten = eten dode resten van organismen

Slide 15 - Tekstslide

voedselketen = reeks (aantal) organismen. Binnen een voedselketen zie je welke organisme door welke organisme wordt gegeten.

De pijl wijst altijd naar het organisme dat het vorige organisme op eet.

Slide 16 - Tekstslide

voedselketen 
schakel = deel van een voedselketen.

De eerste schakel van een voedselketen is altijd een plant.
De tweede schakel is altijd een planteneter. 
De derde sckakel is altijd een vleeseter 

Slide 17 - Tekstslide

Waarmee begint iedere voedselketen?
A
Dier
B
Plant
C
Bacterie
D
Schimmel

Slide 18 - Quizvraag

voedselweb/ voedselketen
Voedselweb = meerdere voedselketens bij elkaar.  

De pijl wijst altijd naar het organisme die de vorige organisme op eet.

Slide 19 - Tekstslide

Voedselweb/ voedselketen

Slide 20 - Tekstslide

0

Slide 21 - Video

Slide 22 - Sleepvraag

producent, consument en reducent
Fotosynthese (in plant):
water + koolstofdioxide + licht -> glucose + zuurstof 

Door fotosynthese kan een plant glucose produceren. Een plant gebruikt glucose om te overleven. 
Glucose is brandstof voor andere organismen (th. 2)

Slide 23 - Tekstslide

producent, consument en reducent
Producent = organisme dat zijn eigen stoffen maakt
Een plant is een producent, omdat hij glucose voor zich zelf kan maken. 
producenten = 1e schakel van een voedselketen
consument = organisme dat een andere organisme nodig heeft om te leven.
consument = 2e en de volgende schakels 

Slide 24 - Tekstslide

VOEDSELKETEN

Slide 25 - Tekstslide

Wat zijn consumenten?
A
Dieren
B
Planten
C
Schimmels
D
Bacteriën

Slide 26 - Quizvraag

VOEDSELKRINGLOOP: proces waarbij alles steeds terug komt 

Slide 27 - Tekstslide

voedselkringloop: procces waarbij alles steeds terug komt 
1.Stoffen in het milieu (bijv. water) worden opgenomen door plant.
2. Plant (producent) zet de stoffen om in nieuwe stoffen (bijv. glucose).
3. Glucose in een plant komt in het lichaam van een consument. 
4. Consument gaat dood.
5. Stoffen in lichaam van consument worden afgebroken door bacterien (reducent)
1. stoffen komen weer terecht in het milieu 

Slide 28 - Tekstslide

Wat zijn reducenten?
A
Bacteriën
B
Planten
C
Schimmels
D
Dieren

Slide 29 - Quizvraag

Ga via magister naar de online omgeving van bio en maak de opdrachten van bs 1 en 2 



Weet je niet hoe je moet inloggen -> kijk naar de lessonup van week 16. Daar wordt uitgelegd hoe je dit kunt doen . Je docent houdt bij of je de opdrachten (voldoende) maakt.
Succes!

Slide 30 - Tekstslide