P3 - Exam Vocabulary

Today: practise with vocabulary
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 5

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Today: practise with vocabulary

Slide 1 - Tekstslide

Today's objectives
You are able to understand and use: 
  • functiewoorden (p. 5-7)
  • basiswoorden (p. 8-15)

Slide 2 - Tekstslide

Translate:
to make clear

Slide 3 - Open vraag

Translate:
to outline

Slide 4 - Open vraag

Translate:
to illustrate

Slide 5 - Open vraag

Translate:
to stress

Slide 6 - Open vraag

Translate:
to contradict

Slide 7 - Open vraag

Translate:
to elaborate

Slide 8 - Open vraag

Translate:
to modify

Slide 9 - Open vraag

Today: practise with vocabulary

Slide 10 - Tekstslide

Today's objectives
We are going to practise with:
  • signaal- en functiewoorden
  • basiswoorden 

Slide 11 - Tekstslide

Signaal- en functiewoorden
  • Complete the work sheet.
  • Try to do it without the vocabulary list first.
  • Compare your work with your neighbour.
timer
10:00

Slide 12 - Tekstslide

Basiswoorden
  1. Go through the list of Basiswoorden, algemeen (from page 13).
  2. Mark every word that you do not know with an asterisk (*).

Finished early?
  • write a gap sentence with the words you' ve marked.
timer
5:00

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Link

Practise
  1. Get into Gimkit.
  2. Add questions about your marked words. Mix up multiple choice and input questions.
  3. If you wrote gap sentences, add those as well.

timer
5:00

Slide 15 - Tekstslide

Individual hour
Practise with:
  • Exam vocabulary
  • Holmwoods
  • Examenbundel

Slide 17 - Tekstslide

to imply
A
bereiken
B
duidelijk maken
C
suggereren
D
concluderen

Slide 18 - Quizvraag

to express
A
benadrukken
B
verklaren
C
verwijzen naar
D
uitdrukken

Slide 19 - Quizvraag

judging from
A
te oordelen naar
B
beschrijven
C
beweren
D
tussenvoegen

Slide 20 - Quizvraag

with regard to
A
blijken uit
B
uitleggen
C
met betrekking tot
D
uitdrukken

Slide 21 - Quizvraag

policy
A
politiek
B
beleid
C
verkiezing
D
kiesdistric

Slide 22 - Quizvraag

to represent
A
vertegenwoordigen
B
regeren
C
verkiezen
D
beargumenteren

Slide 23 - Quizvraag

predators

Slide 24 - Open vraag

majority

Slide 25 - Open vraag

independent

Slide 26 - Open vraag

constitution
A
grondwet
B
mening
C
verdrag
D
project

Slide 27 - Quizvraag

summit
A
helling
B
top
C
grot
D
woud

Slide 28 - Quizvraag

calamity
A
biotoop
B
reservaat
C
ramp
D
vervuiling

Slide 29 - Quizvraag

conservation
A
giftig
B
milieubeheer
C
verscheidenheid
D
isolatie

Slide 30 - Quizvraag

  • Complete the worksheet.

Slide 31 - Tekstslide

ironic - sarcastic - cynical - sneering
  1. It's ___ that she became a teacher—she used to hate school.
  2. ‘John can’t come.’ ‘What a shame,’ my brother said sarcastically.

Slide 32 - Tekstslide