Ontdek Computational Thinking in het Basisonderwijs

Skillslab
Computational Thinking 
in het Basisonderwijs
1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
OnderwijskundeCommunication & multimedia designHBOStudiejaar 1,2

In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 100 min

Onderdelen in deze les

Skillslab
Computational Thinking 
in het Basisonderwijs

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoel
Aan het einde van de les kun je computational thinking begrijpen en toepassen met behulp van algoritme, abstractie, decompositie en patroonherkenning.

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat weet je al over computational thinking?

Slide 3 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Computational thinking is een zo'n eenvoudig mogelijke manier denken over een probleem, zodat het kan worden opgelost door een mens, een machine of een computer.
Waar
Niet Waar

Slide 5 - Poll

Het goede antwoord is waar. 1 punt
Wat is Computational Thinking?
Computational thinking is een manier van denken om problemen op te lossen, vergelijkbaar met hoe een computer problemen oplost.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe noem je het opdelen van een groot probleem in verschillende stukken?
A
decompositie
B
patroonherkenning
C
abstractie
D
algoritme

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Decompositie
Decompositie is het opdelen van een complex probleem in kleinere, meer beheersbare delen, zoals het in stappen oplossen van een wiskundige som.

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe noem je de focus op wat belangrijk is?
A
decompositie
B
patroonherkenning
C
abstractie
D
algoritme

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Abstractie
Abstractie betekent het weglaten van onnodige details om het probleem te vereenvoudigen, bijvoorbeeld een verhaal samenvatten in enkele zinnen.

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Trends, regels en regelmatigheden zijn voorbeelden. Waar horen deze bij?
A
decompositie
B
patroonherkenning
C
abstractie
D
algoritme

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Patroonherkenning
Patroonherkenning is het herkennen van overeenkomstige structuren of regelmatigheden, zoals het herkennen van ritmes in muziek.

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe noemt men een heel precies stappenplan?
A
decompositie
B
patroonherkenning
C
abstractie
D
algoritme

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Algoritme
Een algoritme is een reeks stapsgewijze instructies om een probleem op te lossen, bijvoorbeeld het recept voor het maken van een boterham.

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waarom zijn lessen computational thinking belangrijk in het basisonderwijs?

Slide 15 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat zou een goede manier zijn om computational thinking aan te bieden bij de kinderen?

Slide 16 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Het circuit
Evolutiespel (abstractie)
Mens als computer (patroonherkenning)
Hagelslagrobot (algoritme)
Wie ben ik? (discompositie)

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ronde 1: Evolutiespel
Abstractie van een stroommodel

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bouw je eigen stroommodel
Doe dit naar aanleiding van het evolutiespel.
geef vorm
gebruik kleur
maak een foto van het eindproduct

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Plaats hier jouw stroommodel

Slide 23 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ronde 2: Mens als robot
patroonherkenning
overeenkomsten mens en computer

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

 Een computer is net een mens?!

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Maak de juiste paren
Maak de koppeling tussen het computeronderdeel en het mensonderdeel. Benoem met elkaar de overeenkomst.

Slide 28 - Tekstslide

De docent deelt de enveloppen uit met daarin de kaartjes. De studenten gaan de juiste paren maken en benoemen waarom die bij elkaar horen. 
Dan volgen nu de antwoorden:

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 30 - Tekstslide

Als je naar het menselijk lichaam kijkt, zie je alleen de
huid. Alle onderdelen zoals je hart, longen en hersenen zie je
niet van de buitenkant. Zo is het ook bij de computerkast, de
onderdelen zijn “verstopt

Slide 31 - Tekstslide

 Een computer heeft net als een mens voeding nodig
om iets te kunnen doen. De voeding van de mens is alleen heel
anders dan de voeding van een computer. De voeding van een
computer is eigenlijk de kabel die van het stopcontact naar
de achterkant van de computerkast gaat. Het blokje wat je op
het scherm ziet [wijs naar het scherm] zit vastgemaakt aan
de computerkast. Ook heeft de voeding draden die worden
aangesloten op het moederbord.

Slide 32 - Tekstslide

 De processor is eigenlijk het hart van de computer.
Zonder een processor kan de computer niet werken. De
processor zorgt er namelijk voor dat alle andere onderdelen
kunnen werken. Dit noem je aansturen. Een processor is
eigenlijk heel de tijd bezig met rekenen en het aansturen zodat
jij kunt computeren. 

Slide 33 - Tekstslide

 Als je de computerkast open maakt zie je een grote
groene plaat met allemaal zilveren stipjes en dingen er op. Dit
is het moederbord. Op het moederbord worden alle andere
onderdelen aangesloten. Zonder het moederbord zouden alle
computeronderdelen los in de kast liggen en niet met elkaar
kunnen werken. Dit kun je een beetje vergelijken met je skelet.
Als je geen ribben had, dan zouden je organen door je lijf
vliegen bij alles wat je doet. Ze zouden misschien in de knoop
komen en dan kunnen ze niet meer zo goed samenwerken

Slide 34 - Tekstslide

Een computer heeft ook twee soorten hersenen. Een
harde schijf zorgt dat bijvoorbeeld je werktstuk opgeslagen
blijft. Dat is dus eigenlijk het langetermijngeheugen. Je
werkstuk blijft opgeslagen, zelfs als de computer uit
staat. Net zoals lopen nog opgeslagen blijft staan in jullie
langetermijngeheugen als jullie slapen.
Het kortetermijngeheugen van een computer heet het intern
geheugen.

Slide 35 - Tekstslide

We hebben nu al een paar dingen geleerd van de
computer, maar we hebben het nog niet gehad over het
computerscherm. Zonder scherm kun je niet zien wat je aan
het doen bent. Daarvoor is de videokaart. De videokaart is
een kaart die op het moederbord aangesloten wordt. Aan
de achterkant heeft hij een aansluiting voor de kabel van het
scherm. Zonder de videokaart kunnen we dus niet zien wat er
gebeurt. 

Slide 36 - Tekstslide

Om te kunnen internetten heb je op je telefoon of tablet
wifi nodig. Met je computer kun je vaak ook verbinden met
je wifi netwerk. Maar niet alle computers hebben wifi. Deze
computers hebben dan een netwerkkaart. De netwerkkaart
wordt aangesloten op het moederbord en wordt zo in
de computerkast gezet dat je er aan de achterkant een
internetkabel in kunt doen. Met een netwerkkaart verbind je
jouw computer met de rest van de wereld. Alsof je een grote
kring van mensen hebt die elkaars handen vast houden. 
Ronde 3 - de hagelslagrobot
algoritme 
schrijf een algoritme voor een robot en voer uit. 

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht
Wij gaan nu ook een robot programmeren. We gaan een robot een boterham met hagelslag
laten maken. Jullie gaan precies op schrijven welke stappen hij hiervoor moet nemen. 

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

stappen
  • Schrijf de stappen op om een boterham met hagelslag te maken.
  • Gebruik alleen de genoemde woorden.
  • Klopt het programma? Controleer.
  • Zo niet... debug jouw programma (haal de fouten er uit).
  • Test uit op de hagelslagrobot (medestudent)


Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

gebruik alleen deze woorden!!

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Slide 41 - Open vraag

De leerlingen voeren hier drie dingen in die ze in deze les hebben geleerd. Hiermee geven ze aan wat hun eigen leerrendement van deze les is.
Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Slide 42 - Open vraag

De leerlingen voeren hier twee dingen in waarover ze meer zouden willen weten. Hiermee vergroot je niet alleen betrokkenheid, maar geef je hen ook meer eigenaarschap.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.

Slide 43 - Open vraag

De leerlingen geven hier (in vraagvorm) aan met welk onderdeel van de stof ze nog moeite. Voor de docent biedt dit niet alleen inzicht in de mate waarin de stof de leerlingen begrijpen/beheersen, maar ook een goed startpunt voor een volgende les.
Computational thinking is een zo'n eenvoudig mogelijke manier denken over een probleem, zodat het kan worden opgelost door een mens, een machine of een computer.
A

Slide 44 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies