Klas 2 Duits

Duits: Wie? Was?
Doelen
Plan van aanpak
Aan de slag
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 6

In deze les zitten 28 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Duits: Wie? Was?
Doelen
Plan van aanpak
Aan de slag

Slide 1 - Tekstslide

Doelen
Kennismaken met het vak Duits
Basiskennis opdoen voor vervolg in bovenbouw
Basisvaardigheden in het leren en maken van Duitse opdrachten en toetsen

Slide 2 - Tekstslide

Aan het einde van het schoojaar
- kan ik tot 20 tellen in het Duits.
- kan ik 100 woorden vertalen van Ne > Du en Du > Ne.
- kan ik de eerste naamval gebruiken.
- kan ik kort iets vertellen in het Duits.
- kan ik een kort gesprek voeren in het Duits.
- kan ik een makkelijke tekst lezen in het Duits.
- kan ik een makkelijk Duits fragment begrijpen.

Slide 3 - Tekstslide

Plan van aanpak
Vanuit de methode in klassikale lessen.
Basiswoordjes leren d.m.v. spelletjes en kleine SO's.
Basiszinnen leren d.m.v. gesprekjes, spellen.
Basisgrammatica leren d.m.v. werkbladen.
Basisvaardigheden als lezen en luisteren oefenen:
- Hoe lees je zo'n tekst? Waar let je op?
- Hoe luister je naar een fragment? Waar let je op?

Slide 4 - Tekstslide

Aan de slag - Wortschatz
eins
zwei
drei
vier
fünf
sechs
sieben
acht
neun
zehn
zwölf
elf
dreizehn
vierzehn
fünfzehn
sechszehn
siebzehn
achtzehn
neunzehn
zwanzig

Slide 5 - Tekstslide

Aan de slag - Wortschatz
+ de naam
der Name - 
die Namen
+ het adres
die Adresse - 
die Adressen
het e-mailadres
die E-Mail-Adresse
+ de straat
die Straße -
die Straßen
+ het telefoonnummer
die Telefonnummer - 
die Telefonnummern
+ het jaar
das Jahr -
die Jahre
Duitsland
Deutschland
Nederland
die Niederlande
Oostenrijk
Österreich
Zwitzerland
die Schweiz
heten
heißen
komen
kommen
wonen
wohnen
zijn
sein
oud
alt
uit
aus
hoe
wie
waar
wo
waarvandaan
woher
wat
was
wie
wer

Slide 6 - Tekstslide

Aan de slag - Wortschatz
heute
vandaag
die Leute
de mensen
die Woche
de week
gerne
graag
oft
vaak
Rad fahren
fietsen
das Essen
het eten
Tschüss!
Doei!
der Monat
de maand
der Freund
de vriend

Slide 7 - Tekstslide

Aan de slag - Gänsespiel
Schrijf in de witte vakjes de getallen 1 t/m 20 in het Duits. Begin na de start met ‘eins’.
Laat de oranje vakjes leeg.
Kleur 4 willekeurige vakjes met een getal blauw.
Kleur 4 andere willekeurige vakjes met een getal groen.

Knip de gekleurde kaartjes voor de gekleurde vakjes:
- Schrijf op de oranje kaartjes een rekensom (t/m 20) in het Duits
- Schrijf op de blauwe kaartjes woorden uit de Lernliste Ne > Du
- Schrijf op de groene kaartjes woorden uit de Lernliste Du > Ne

Slide 8 - Tekstslide

Aan de slag - Gänsespiel
Als je op een hokje met een kleur uitkomt, pak je een kaartje van de stapel met deze kleur.
Bij oranje leest de deelnemer de rekensom in het Duits op en geeft in het Duits antwoord.
Bij blauw leest de deelnemer het Nederlandse woord hardop en geeft de Duitse vertaling.
Bij groen leest de deelnemer het Duitse woord hardop en geeft de Nederlandse vertaling.
Is het antwoord goed, dan mag de deelnemer het kaartje houden en telt dit als één punt.
Is het antwoord fout, dan moet de deelnemer vijf plaatsen terug. Het kaartje komt op de weglegstapel.

Het spel stopt als de eerste op de Ziel (finish) komt. De deelnemer met de meeste punten wint.  

Slide 9 - Tekstslide

Huiswerk
Leren woordjes Lernliste (blad)
Ne > Du en Du > Ne


Slide 10 - Tekstslide

Deze les
Test Wortschatz
Grammatik - uitleg
Grammatik - oefening

Slide 11 - Tekstslide

Test Wortschatz
Maak het werkblad

Slide 12 - Tekstslide

Grammatik
Luister naar de rap. Welke herken je?

Slide 13 - Tekstslide

Grammatik
Vul eerst de vertaling in de tekst in. Daarna luisteren we samen.


Slide 14 - Tekstslide

Huiswerk
- Vul de Grammatik oefening op het werkblad in.
- Leer de Grammatik (persoonlijk voornaamwoorden + werkwoord Sein)

Slide 15 - Tekstslide

Deze les
Test Grammatik 
Sprechen: Klassikale gesprekken
In tweetallen oefenen

Slide 16 - Tekstslide

Test Grammatik

Slide 17 - Tekstslide

Uitspraak

Slide 18 - Tekstslide

Sprechen - jezelf voorstellen
Wie ben jij? / Hoe heet jij?                            Ik ben .../ Ik heet ...


Hoe oud ben jij?       Ik ben elf / dertien / ... jaar oud.

Slide 19 - Tekstslide

Sprechen - jezelf voorstellen
Waar kom jij vandaan?         Ik kom uit Zwitserland / Duitsland / ...


Waar woon jij?     Ik woon in der Lindenstraße / Bern / ...

Slide 20 - Tekstslide

Sprechen - jezelf voorstellen
Wat is jouw adres / telefoonnummer?


Mijn adres is ... / Mijn telefoon nummer is ....

Slide 21 - Tekstslide

Sprechen - Tweetallen
Eén persoon begint met een vraag (Duits) aan een ander.
Deze geeft antwoord (Duits) en stelt een vraag aan de eerste.
Zo ga je door tot je alles van elkaar weet:
- naam
- leeftijd
- land
- plaats + straat

Slide 22 - Tekstslide

Huiswerk
Leer de zinnen van de Sprachmittel

Slide 23 - Tekstslide

Deze les
Test: Jezelf voorstellen
Zusammen Lesen
Zusammen Sehen

Slide 24 - Tekstslide

Jezelf voorstellen
Stel jezelf voor:
- Je naam
- Je leeftijd
- Land en woonplaats

Slide 25 - Tekstslide

Lesen

Slide 26 - Tekstslide

Sehen
We bekijken samen het filmpje.
Vul de antwoorden in op het
werkblad.

Slide 27 - Tekstslide

Huiswerk
Maak het kleine leestekstje op het Werkblad Lesen H1

Volgende week toets H1:
- Lernliste (Ne > Du + Du > Ne)
- Grammatik
- Sprachmittel
- Lesen

Slide 28 - Tekstslide