Verhoudingen herkennen en gebruiken
Nunoordhoff domein 3 editie 4
Verhoudingen herkennen en gebruiken
Nunoordhoff domein 3 editie 4
Deze slide heeft geen instructies
Doelen
In dit domein leer je:
verhoudingen herkennen en ermee rekenen.
het verband tussen verhoudingen, breuken, en procenten.
Deze slide heeft geen instructies
Verhoudingen herkennen
Wat je gaat leren:
Je herkent verhoudingen die gelijk zijn aan elkaar.
Je leert verhoudingentaal herkennen.
we kijken eerst naar de essentie van dit hoofdstuk:
de getallen worden meer> dan gebruiken we keer
of de getalen worden minder > dan gebruiken we delen
zie voorbeelden
Deze slide heeft geen instructies
Gelijke verhoudingen herkennen
3 van de 9 tegels zijn wit.
of 3 staat tot 6
Door welk getal kunnen we delen om
de kleinste verhouding te krijgen?
3:6
Antwoord: beiden getalen kun je door 3 delen. Je krijgt:
1:2
Deze slide heeft geen instructies
Verhoudingen herkennen
6 van de 9 tegels zijn rood. Je kunt de verhouding ook verkleinen. Deel beide getallen door 3.
antwoord: 2 van de 3 tegels zijn rood.
Deze slide heeft geen instructies
Wat is de kleinste verhouding? Noteer eerst de rode scooters.
4:2
2:1
2:4
1:2
Deze slide heeft geen instructies
Rekenen met verhoudingen
Deze slide heeft geen instructies
Bijvoorbeeld
Je kookt voor 6 personen, hoeveel gram noedels heb je nodig?
Eerst reken je het aantal personen om naar 1, vervolgens naar 6.
Je kan ook het aantal personen omrekenen naar 2, dan vermenigvuldig je daarna met 3 in plaats van 6.
Je kan ook in een keer vermenigvuldigen met 1,5.
Samengestelde grootheden
Voorbeeld
Snelheid
afstand ÷ tijd
kilometer per uur (km/u)
Voorbeeld: ven auto rijdt 100 km in 2 uur.
100 ÷ 2 = 50 km/u
Deze slide heeft geen instructies
Samengestelde grootheden
Brandstofverbruik
kilometers ÷ liters
km/l
Voorbeeld: Een scooter rijdt 180 km op 6 liter benzine.
180 ÷ 6 = 30 km per liter
Deze slide heeft geen instructies
Samengestelde grootheden
Prijs per stuk
euro ÷ aantal stuks
euro per stuk
Voorbeeld: 6 broodjes kosten €12.
12 ÷ 6 = €2 per broodje
Deze slide heeft geen instructies
Deze slide heeft geen instructies
Reken uit met een verhoudingstabel:
Een auto gebruikt 60 liter brandstof voor 600 kilometer. Hoeveel kilometer rijdt deze auto met 1 liter brandstof?
Deze slide heeft geen instructies
A = 10 km, B = 20 km, C = 40 km
A = 20 km, B = 40 km, C = 60 km
A = 10 km, B = 20 km, C = 30 km
A = 20 km, B = 35 km, C = 50 km.
Dit is een verhouding tussen tijd en afstand.
Alles wat je met de bovenste rij doet, doe je ook met de onderste rij. Een half uur is 2 keer zo lang als een kwartier. Een uur is 2 keer zo lang als een half uur. En anderhalf uur is 3 keer zo lang als een half uur.
Verhoudingen vergelijken
Bij prijzen vergelijken kijk je welke aanbieding of verpakking het goedkoopst is. Dat doe je door de prijs per stuk, per liter of per kilo uit te rekenen.
Voorbeeld 1: Prijs per stuk
6 blikjes kosten €3,00
8 blikjes kosten €3,60
Berekening:
€3,00 ÷ 6 = €0,50 per blikje
€3,60 ÷ 8 = €0,45 per blikje
✅ De verpakking van 8 blikjes is goedkoper, omdat je per blikje minder betaalt.
Deze slide heeft geen instructies
Deze slide heeft geen instructies
Verhoudingen, breuken en procenten
Verhoudingen, breuken en procenten drukken hetzelfde uit maar op een andere manier. Stel: van de 20 leerlingen zijn er 5 ziek.
Als verhouding
Ziek : totaal = 5 : 20
Deze verhouding kun je vereenvoudigen:
5 : 20 = 1 : 4
Als breuk
Aantal zieken / totaal aantal leerlingen
5/20 = 1/4
Dus 1 op de 4 leerlingen is ziek.
Als percentage
Van de breuk maak je een percentage:
5 ÷ 20 = 0,25
0,25 × 100 = 25%
Dus 25% van de leerlingen is ziek.
Het verband
Deze drie betekenen precies hetzelfde:
Verhouding: 5 : 20
Breuk: 5/20 (= 1/4)
Procent: 25%
✅ Alle drie beschrijven hetzelfde deel van het geheel.
Deze slide heeft geen instructies
Verhoudingen, breuken en procenten
Deze slide heeft geen instructies
1 op de 10 spelers draagt een paars shirt.
1% van de spelers draagt een paars shirt.
9 van de 10 spelers dragen een rood shirt.
90% van de spelers draagt een rood shirt.
deel van de spelers draagt een paars shirt.
Deze slide heeft geen instructies
Welke bewering is juist als 1 van de 10 spelers een paars shirt draagt?
90% draagt een paars shirt
10% draagt een paars shirt
1% paars draagt een paars shirt
9% draagt een paars shirt
Deze slide heeft geen instructies
Als 1 op de 10 spelers een paars shirt draagt, welk deel draagt dan een rood shirt?
10% rood
1% rood
90% rood
50% rood
Deze slide heeft geen instructies