Les 13: Landschappen en klimaten

Weetjes
  1. Warmtetransport via de zeestromen = oceanische circulatie
  2. Thermo - temperatuur 
  3. Haline - zoutgehalte  
  4. koude stroom zinkt (zwaarst bij +4 graden). IJs drijft
  5. de zoute stroom zinkt
  6. de koude zeestroom stroomt van relatief kouder gebied naar warmer gebied. 
Thermohaline circulatie
Het is dus niet warm in graden, maar wel warmer dan de rest van het water.
1 / 45
volgende
Slide 1: Tekstslide
AardrijkskundeMiddelbare schoolvmbo, mavo, havo, vwoLeerjaar 1-6

In deze les zitten 45 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 70 min

Onderdelen in deze les

Weetjes
  1. Warmtetransport via de zeestromen = oceanische circulatie
  2. Thermo - temperatuur 
  3. Haline - zoutgehalte  
  4. koude stroom zinkt (zwaarst bij +4 graden). IJs drijft
  5. de zoute stroom zinkt
  6. de koude zeestroom stroomt van relatief kouder gebied naar warmer gebied. 
Thermohaline circulatie
Het is dus niet warm in graden, maar wel warmer dan de rest van het water.

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Landschappen
Klimaten

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Landschappen

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Landschaap = combinatie van alles wat je ziet



- vaak de naam is gegeven door vegetatie (planten)

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Tropische zone
Regenwoud: ondoordringbare bos
Savanne:
clusters bomen en grasses

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aride zone
Steppe: grasland
Woestijn: groeit niets

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Overzicht

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Subtropische zone
Middellandse zee soort planten: maquis

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gematigde zone
Loofbos

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

     Boreale zone (taiga)
Naaldbomen

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Polaire zone
Toendra: mossen
Landijs: groeit niets
permafrost

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Overzicht

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Noem 6 landschapzones

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Klimaten

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Klimaatsysteem van Köppen 

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Eerste letter
A TROPISCH KLIMAAT: warmer dan 18 graden en veel neerslag 
B DROOG KLIMAAT:  hele jaar weinig neerslag - droog
C ZEEKLIMAAT: koele zomers en zachte winters - neerslag 
D LANDKLIMAAT: hete zomers en koude winters - neerslag
E POOLKLIMAAT:  hele jaar lage temperaturen - koud

Uit het hoofd leren!

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Tweede letter
Kleine letters: 
f - alle maanden neerslag 
s/w - droog seizoen 

Grote letters:
S - steppe; W - woestijn 
T - toendra; H - hooggebergte 

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Tropische klimaten A
Tropisch regenwoudklimaat Af
- temp. altijd boven de 18 graden
- hele jaar door neerslag
- kent geen seizoenen - altijd warm

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Tropische klimaten A
Savanneklimaat As/w
- > 18 graden
- natte en korte droge periode

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Droge klimaten B
Steppe klimaat (BS)
- t- maak niet uit
- korte periode neerslag


Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Droge klimaten B
Woestijn klimaat (BW)
- wisselende temperatuur
- nauwelijks tot geen neerslag


Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gematigde klimaten
Middellandse zeeklimaat (Cs/w):
- niet kouder dan -3 graden
- droog winter of zomer



Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gematigde klimaten
(Gematigde) zeeklimaat (Cf):
- niet kouder dan -3 graden
- hele jaar door neerslag



Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Continentale klimaten
Landklimaat (Df)
- kouder dan -3 graden
- hele jaar door neerslag 


Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Polaire klimaten
Toendraklimaat (ET)
- temp. komt niet boven de 10 gr.
- neerslag hele jaar wisselend
- groeit enkel gras en mos

Poolklimaat (EH)
- temp. altijd gem. 0 graden
- neerslag heel jaar door
- geen seizoenen - altijd koud


Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Klimaatsysteem van Köppen 
Lezen klimaatgrafiek:
- schrijf op de grafiek
- warme januari en koud juni? = zuidelijk halfrond

Temperatuur:
- teken O graden lijn
- gaat het onder 0: D of E
- blijft het boven: A B C
Neerslag:
- droog seizoen?
- welke maand?

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht 9a
Kies uit: Beijing – Hongkong – Ürümqi.

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Overzicht

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

     Kleine afsluiting
A klimaten
B klimaten
C klimaten
D klimaten
E klimaten
Boreale zone
Polaire zone
Toendra
Subtroppen

Slide 31 - Tekstslide

Kleine lesafsluiting (5 min) 

Docent controleert begrip door opdrachten of vragen die de begrippen en vaardigheden van het lesdoel toetsen.

Leerlingen werken zelfstandig of in een groepje aan opdrachten, kunnen vragen stellen aan de docent maar werken grotendeels zelfstandig.

Controle van begrip vragen
Examenopdracht op blz.138


Slide 32 - Tekstslide

hoogte
warmer
nat, droog
Controle van begrip:
Welke natuurlijke factor bepaalt de overgang van savanne, naar steppe en woestijnen?

Slide 33 - Open vraag

Antwoord 1: Breedteligging beïnvloedt de hoeveelheid zonnestraling die een gebied ontvangt. Gebieden dichter bij de evenaar (zuidelijke Verenigde Staten) ontvangen meer directe zonnestraling en zijn daarom warmer, terwijl gebieden verder van de evenaar (noordelijke Verenigde Staten) minder directe zonnestraling ontvangen en kouder zijn.
Antwoord 2: Hoogteligging beïnvloedt de temperatuur doordat de temperatuur gemiddeld met ongeveer 0,6°C daalt voor elke 100 meter stijging. In bergachtige gebieden zoals de Rocky Mountains betekent dit dat hogere delen koeler zijn dan de lagere delen.
Antwoord 3: Aanlandige wind brengt vochtige lucht van de zee naar het land, wat leidt tot meer neerslag en mildere temperaturen aan de westkust. Aflandige wind brengt droge lucht van het land naar de zee, wat resulteert in minder neerslag en grotere temperatuurschommelingen aan de oostkust.
Antwoord 4: De loefzijde van een berg is de kant waar de wind tegenaan waait en neerslag veroorzaakt doordat de lucht opstijgt en afkoelt. De lijzijde is de regenschaduwkant waar de lucht daalt en opwarmt, wat resulteert in minder neerslag en een droger klimaat.
Controle van begrip:
Wat is een klimaatgrafiek? Hoe lezen we klimaatgrafieken?

Slide 34 - Open vraag

Antwoord 1: Breedteligging beïnvloedt de hoeveelheid zonnestraling die een gebied ontvangt. Gebieden dichter bij de evenaar (zuidelijke Verenigde Staten) ontvangen meer directe zonnestraling en zijn daarom warmer, terwijl gebieden verder van de evenaar (noordelijke Verenigde Staten) minder directe zonnestraling ontvangen en kouder zijn.
Antwoord 2: Hoogteligging beïnvloedt de temperatuur doordat de temperatuur gemiddeld met ongeveer 0,6°C daalt voor elke 100 meter stijging. In bergachtige gebieden zoals de Rocky Mountains betekent dit dat hogere delen koeler zijn dan de lagere delen.
Antwoord 3: Aanlandige wind brengt vochtige lucht van de zee naar het land, wat leidt tot meer neerslag en mildere temperaturen aan de westkust. Aflandige wind brengt droge lucht van het land naar de zee, wat resulteert in minder neerslag en grotere temperatuurschommelingen aan de oostkust.
Antwoord 4: De loefzijde van een berg is de kant waar de wind tegenaan waait en neerslag veroorzaakt doordat de lucht opstijgt en afkoelt. De lijzijde is de regenschaduwkant waar de lucht daalt en opwarmt, wat resulteert in minder neerslag en een droger klimaat.
Controle van begrip:
Leg uit hoe stijgingsregen wordt gevormd in de zone van ITCZ?

Slide 35 - Open vraag

Antwoord 1: Breedteligging beïnvloedt de hoeveelheid zonnestraling die een gebied ontvangt. Gebieden dichter bij de evenaar (zuidelijke Verenigde Staten) ontvangen meer directe zonnestraling en zijn daarom warmer, terwijl gebieden verder van de evenaar (noordelijke Verenigde Staten) minder directe zonnestraling ontvangen en kouder zijn.
Antwoord 2: Hoogteligging beïnvloedt de temperatuur doordat de temperatuur gemiddeld met ongeveer 0,6°C daalt voor elke 100 meter stijging. In bergachtige gebieden zoals de Rocky Mountains betekent dit dat hogere delen koeler zijn dan de lagere delen.
Antwoord 3: Aanlandige wind brengt vochtige lucht van de zee naar het land, wat leidt tot meer neerslag en mildere temperaturen aan de westkust. Aflandige wind brengt droge lucht van het land naar de zee, wat resulteert in minder neerslag en grotere temperatuurschommelingen aan de oostkust.
Antwoord 4: De loefzijde van een berg is de kant waar de wind tegenaan waait en neerslag veroorzaakt doordat de lucht opstijgt en afkoelt. De lijzijde is de regenschaduwkant waar de lucht daalt en opwarmt, wat resulteert in minder neerslag en een droger klimaat.
Klimaatsysteem volgens Köppen
Op grond van alle klimaatfactoren kun je de aarde indelen in klimaatgebieden. De klimaten volgens Köppen geeft een grove typering van de klimaten op aarde.
● Köppen onderscheidde vijf klimaatzones, aangeduid met de hoofdletters A tot en met E,  onderscheiden op grond van de gemiddelde temperatuur in de warmste en/of de koudste maand of op basis van de neerslag.
● Onderverdeling van de A-, C- en D-klimaten op basis van de neerslagverdeling in een jaar:
s = een droge tijd in de zomer (sommertrocken)
w = een droge tijd in de winter (wintertrocken)
f = droge tijd ontbreekt (fehlt), dus neerslag in alle jaargetijden
● Onderverdeling E-klimaat op basis van de ligging van en de temperatuur in het klimaatgebied (figuur 3.20):
F = (eeuwige) sneeuw in de poolgebieden
H = (eeuwige) sneeuw in het hooggebergte
T = toendra
● Het B-klimaat wordt door het toevoegen van een hoofdletter onderverdeeld in een zeer droog woestijnklimaat (BW)
en een iets minder droog steppeklimaat (BS).

Slide 36 - Tekstslide

hoogte
warmer
nat, droog
Landschapzones
Tropische zone  bestaat uit ________________ die heeft etages.
Aride zone is bepaald door __________. Daar groeien __________.
In Subtropische zone groeien ________________. Voorbeelden van landen: _______________.
Gematigde zone heeft ____ seizoenen en daar groeien ________________. Wij wonen hier.
Boreale zone is te herkennen aan ______________. Het is te koud voor loofbomen.
Polaire zone is gemiddlede temperatuur niet boven ______ graden ook in de zomer. De befroren grond noemen wij ______________.



Slide 37 - Tekstslide

vochtige, droge
milder
lagere
     Grote afsluiting
Wij kijken vandag hoe ontstaan verschillende landschappen onder invloed van met elkaar samenhangende geofactoren.
Wij zoomen in aan waarom vallen natuurlijke landschapszones, klimaatzones en de zones van natuurlijke plantengroei grotendeels samen.
Als laatste, bespreken we wat zijn de kenmerken van de landschapszones en wat is de verklaring voor hun ligging.

Slide 38 - Tekstslide

Het lesdoel (2 min) 

Docent benoemt het lesdoel en bespreekt kort wat de leerlingen zullen leren en waarom dit belangrijk is.

Leerlingen luisteren naar de leerdoelen en krijgen een duidelijk beeld van wat er van hen verwacht wordt tijdens de les. Uitleg van leerdoelen, korte discussie over belang van de leerdoelen
 Vraag 1
(T1) 2 punten

In het noorden van Australië valt er veel meer neerslag dan bij de Steenbokskeerkring.
Beredeneer het ontstaan van dit verschil in neerslag aan de hand van de overheersende luchtdruk bij de evenaar en de overheersende luchtdruk bij de Steenbokskeerkring.

Je antwoord moet een oorzaak-gevolgrelatie bevatten.
Bij de evenaar, waar het noorden van Australië dicht bij ligt, overheerst lage luchtdruk en bij de keerkringen overheerst hoge luchtdruk (oorzaak), waardoor bij de evenaar, in de buurt van het noorden van Australië, lucht stijgt en afkoelt / condensatie plaatsvindt (en veel neerslag ontstaat) en bij de keerkringen lucht daalt en opwarmt / wolken oplossen (en vrijwel geen neerslag ontstaat) (gevolg).

Slide 39 - Tekstslide

Breedteligging: Invloed op zonnestraling en temperatuur, waardoor gebieden dichter bij de evenaar warmer zijn.<br>- Hoogteligging: Invloed op temperatuur, met lagere temperaturen op grotere hoogten.
Vraag 2 
(T1) 2 punten

Langs de oostkust van Australië valt meer neerslag dan langs de westkust.

Wat is de oorzaak van het verschil uit  vraag 1?
De zuidoosten wind/zuidoostpassaat zorgt langs de westkust voor een aflandige wind en langs de oostkust voor een aanlandige wind.

Slide 40 - Tekstslide

Aanlandige wind: Brengt vochtige lucht van de zee naar het land, wat leidt tot meer neerslag en mildere temperaturen.

Aflandige wind: Brengt droge lucht van het land naar de zee, wat resulteert in minder neerslag en grotere temperatuurschommelingen.<br>Uitleg: Aan de westkust zorgen aanlandige winden voor meer neerslag en mildere temperaturen, terwijl aan de oostkust aflandige winden droger en extremer weer kunnen veroorzaken.
Vraag 3 
(T2) 2 punten

Schrijf het nummer van de juiste klimaatgrafiek uit bron 2 achter de steden.

Slide 41 - Tekstslide

Zelfstandige verwerking (10 min)
Zelfstandig verwerken (ik → jij) 10 min. Docent laat leerlingen zelfstandig werken aan de eindopdracht of een debatstelling, beschikbaar voor hulp indien nodig.

Werken aan eindopdracht, zelfstandig of in groepen 

Vraag 4 
(T2) 2 punten

De foto’s in bron 3 zijn genomen dicht bij twee van de volgende plaatsen: Sydney, Perth, Darwin of Alice Springs.
Schrijf de juiste plaatsnaam achter de letters A en B van de twee foto’s.

Slide 42 - Tekstslide

barrière, loef, lij

Slide 43 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Slide 44 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 45 - Video

Deze slide heeft geen instructies