Herhaling Basis 3

What did you do during the break?
-Sleeping
-Party
-Sports
-Hanging out with friends

1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

What did you do during the break?
-Sleeping
-Party
-Sports
-Hanging out with friends

Slide 1 - Tekstslide

Herhaling Basis 3

Slide 2 - Tekstslide

Welk cijfer denk je te krijgen op de toets?

Slide 3 - Open vraag

Wat weet jij nog over H1?

Slide 4 - Woordweb

Give the correct translation:
Kind
A
Kind
B
Vriendelijk
C
Vreselijk
D
Verrukelijk

Slide 5 - Quizvraag

Give the correct translation:
Complicated

A
Communiceren
B
Zelfvertrouwen
C
Uitdaging
D
Ingewikkeld

Slide 6 - Quizvraag

Which sentence is grammatically correct? (Present simple)
A
Do you often go shopping?
B
Do you often went shopping?
C
Did you often going shopping?
D
Did you often went shopping?

Slide 7 - Quizvraag

Give the correct translation:
Background

A
Achtergrond
B
Profiteren van
C
Doel
D
Achtertuin

Slide 8 - Quizvraag

Which sentence is grammatically correct (Present Continuous)
A
I have not worked right now.
B
I'm not working right now
C
I am not work right now
D
I have not working right now

Slide 9 - Quizvraag

Make a QUESTION in the Present simple USING THESE WORDS:
he- wear- glasses

Slide 10 - Open vraag

What is the opposite of:
calm
A
Happy
B
Content
C
Confused
D
Furious

Slide 11 - Quizvraag

Welke tegenwoordige tijd gebruik je bij feiten, gewoonten of als iets regelmatig gebeurt?
A
Present Continuous
B
Present Simple

Slide 12 - Quizvraag

Give the correct translation:
Addictive
A
Onderzoeken
B
Belonend
C
Verslavend
D
Negatief

Slide 13 - Quizvraag

Welke tegenwoordige tijd gebruik je als iets nu aan de gang is, als iemand nu iets aan het doen is of om irritatie uit te drukken?
A
Present Continuous
B
Present Simple

Slide 14 - Quizvraag

Give the correct translation:
Shelter
A
Asiel
B
Inspirerend
C
Achtergrond
D
Kans

Slide 15 - Quizvraag

True or false:
De hoofdzin en de tag question staan altijd in dezelfde tijd
A
Waar
B
Niet waar

Slide 16 - Quizvraag

Make a QUESTION in the Present simple USING THESE WORDS:
she- like- chores

Slide 17 - Open vraag

Which sentence is grammatically correct? (Present simple)
A
I playing football every weekend
B
I play football every weekend
C
I played football every weekend
D
I have play football every weekend

Slide 18 - Quizvraag

What is the opposite of:
grown up
A
Bossy
B
Quiet
C
Childish
D
Positive

Slide 19 - Quizvraag

True or False:
Je gebruikt "some-" bij een beperkt aantal van iets
A
True
B
False

Slide 20 - Quizvraag

Make a QUESTION in the Present simple USING THESE WORDS:
you-often-listen-to music

Slide 21 - Open vraag

True or false:
Je gebruikt any- bij een onbeperkt aantal van iets
A
True
B
False

Slide 22 - Quizvraag

What is the opposite of Loud?

Slide 23 - Open vraag

Give the correct translation:
Cause
A
Kans
B
Doelwit
C
Gevaar
D
Doel

Slide 24 - Quizvraag

Which sentence is grammatically correct? (Present Continuous)
A
Are you have written that e-mail now
B
Are you wrote that e-mail now
C
Are you written that e-mail now?
D
Are you writing that e-mail now?

Slide 25 - Quizvraag

True or false:
Je gebruikt every- als je het hebt over alle
A
True
B
False

Slide 26 - Quizvraag

Give the correct translation:
Rewarding
A
Vaardigheid
B
Belonend
C
Onthouden
D
Kans

Slide 27 - Quizvraag

Choose anywhere/anything/somebody: I need ... to help me

Slide 28 - Open vraag

Make a QUESTION in the Present simple USING THESE WORDS:
you- eat- fresh- food

Slide 29 - Open vraag

Choose anywhere/anything/somebody: Can I do ... to help?

Slide 30 - Open vraag

Give the correct translation:
Poem
A
Gedicht
B
Taal
C
Profiteren van
D
Gevaar

Slide 31 - Quizvraag

What is the opposite of negative?

Slide 32 - Open vraag

Which sentence is grammatically correct? (Present Continuous)
A
I'm not to work right now
B
I have not work right now
C
I'm not working right now
D
I have not working right now

Slide 33 - Quizvraag

Give the correct translation:
For instance
A
Bijvoorbeeld
B
Eigenlijk
C
Trouwens
D
Hoe dan ook

Slide 34 - Quizvraag

Choose anywhere/anything/somewhere: They live ... in Australia.

Slide 35 - Open vraag

Give the correct translation:
Bossy

A
Kinderachtig
B
Beleefd
C
Populair
D
Bazig

Slide 36 - Quizvraag

Give the correct translation:
Raise
A
Zeldzaam
B
Inzamelen
C
Gevaar
D
Belachelijk

Slide 37 - Quizvraag

Give the correct translation:
To be honest
A
Trouwens
B
In feite
C
Om eerlijk te zijn
D
Eigenlijk

Slide 38 - Quizvraag

Give the correct translation:
Confident
A
Ingewikkeld
B
Zelfvertrouwen
C
Sterk
D
Gevaar

Slide 39 - Quizvraag

Give the correct translation:
It depends
A
Dat ligt eraan
B
Dat klopt
C
Dat klopt niet
D
Goed punt

Slide 40 - Quizvraag

Welk cijfer denk je te krijgen op de toets?

Slide 41 - Open vraag