TisTaal | VO1 | thema 4 | les 2

TisTaal | VO1 | thema 1 | les 1
Eten en drinken
Thema 4
les 2
1 / 10
volgende
Slide 1: Tekstslide
NTCNT2+1Middelbare schoolmavo, havoLeerjaar 1

In deze les zitten 10 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

TisTaal | VO1 | thema 1 | les 1
Eten en drinken
Thema 4
les 2

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

• vertellen welk eten of drinken ik aanraad,
• uitleggen waarom dat lekker of goed is,
• een korte tekst schrijven waarin ik iemand probeer te laten kiezen
Na deze les kan ik:

Slide 2 - Tekstslide

• Deze dia zet de schrijversintentie meteen centraal.
• Laat één leerling de doelen hardop lezen.
• Benoem daarna in docenttaal:
Vandaag ga je zelf doen wat de tekst van vorige les deed.
• Leg niet uit hoe ze dat gaan doen. Dat volgt in stappen.
Differentiatie:
• Route A: alleen luisteren, geen reactie nodig.
• Route B/C: kort laten reageren op iets laten willen.

Terugblik
Denk even terug aan de vorige les.

Je las twee teksten over eten.
De ene tekst wilde iets uitleggen.
De andere tekst wilde dat je iets ging doen.

Vraag:
Welke tekst wilde dat je iets ging doen?

Vandaag ga jij dat ook doen.
Je gaat zelf woorden kiezen om iemand iets te laten willen.

Slide 3 - Tekstslide

Doel:
• voorkennis activeren,
• overhalen opnieuw activeren zonder analyse.
Uitvoering:
• Laat maximaal 2 leerlingen antwoorden.
• Accepteer alleen antwoorden die naar de tekst verwijzen.

Formulering door docent:
• Ja, die tekst wilde dat je iets ging doen. Dat noemen we overhalen.

Differentiatie:
• Route A: aanwijzen of één woord antwoorden.
• Route B: volledige zin.
• Route C: korte toelichting (hoe merkte je dat?).

Denk aan eten of drinken dat jij lekker vindt.

Beantwoord deze vragen mondeling:
• Wat eet of drink jij graag?
• Wanneer eet of drink je dat?
• Zou jij dit aan iemand aanraden?

Probeer in hele zinnen te antwoorden.

Even praten .....

Slide 4 - Tekstslide

Doel:
• ideeën verzamelen voor schrijven,
• woordenschat activeren,
• leerlingen taal laten gebruiken zonder druk.

Uitvoering:
• Houd tempo hoog. 
• Laat meerdere leerlingen aan bod komen, maar breek af als antwoorden te lang worden.

Taalsturing:
• Herhaal sterke woorden expliciet:
Je zegt: warm, snel, lekker. Dat zijn goede woorden.

Differentiatie:
• Route A: alleen eerste vraag.
• Route B: eerste twee vragen.
• Route C: alle drie + waarom.

Je gaat straks een tekst schrijven over eten of drinken.
Je schrijft niet zomaar iets.
Je schrijft met een doel.
Je wilt dat de lezer na het lezen denkt: Dit wil ik proberen!

Dat betekent:
• je kiest woorden die het eten aantrekkelijk maken,
• je vertelt waarom het goed of lekker is,
• je helpt de lezer een keuze maken.

Dit is het doel van je tekst.

Slide 5 - Tekstslide

Didactisch doel van deze dia
• Leerlingen begrijpen dat schrijven gericht is
• Ze zien het verband tussen woordkeuze en effect
• Ze stappen bewust in de rol van schrijver

Uitvoering
• Lees de eerste twee zinnen hardop voor.
• Wijs bij Dit wil ik proberen expliciet op het effect bij de lezer.
• Zeg bijvoorbeeld:
Je schrijft dus niet voor jezelf, maar voor iemand anders.

Korte mondelinge check
• Laat 1 leerling de zin afmaken:
Ik wil dat de lezer …

Differentiatie
• Route A: leerling herhaalt of vult mondeling aan.
• Route B: leerling formuleert doel zelfstandig.
• Route C: leerling noemt doel + één woord dat daarbij helpt (lekker, beter, warm).

Voordat je gaat schrijven, denk je eerst na.
Gebruik dit plan.
Schrijf nog geen zinnen.
Schrijf losse woorden.
Deze woorden gebruik je straks in je tekst.
schrijfplan
stap 1
stap 2
stap 3
Wat is het?
(eten of drinken, wanneer eet je het)

Waarom is het goed of lekker?
(smaak, warm of koud, gezond, snel)

Waarom moet iemand dit proberen?
(wat maakt dit beter dan iets anders)

Slide 6 - Tekstslide

Didactisch doel
• Leerlingen leren plannen vóór schrijven
• Ze denken bewust na over effect op de lezer
• Ze verzamelen taal die later nodig is

Uitvoering
• Lees de eerste twee regels hardop.
• Benoem expliciet:
Dit plan helpt je om straks makkelijker te schrijven.

Sturing tijdens rondlopen
• Vraag niet: Wat ga je schrijven?
• Vraag wel:
o Welke woorden passen bij jouw doel?
o Welke woorden zorgen dat iemand dit wil proberen?

Differentiatie
• Route A:
o Leerling vult alleen stap 1 en 2 in
o Docent helpt bij formuleren
• Route B:
o Alle drie de stappen zelfstandig
• Route C:
o Laat leerling bij stap 3 alvast één vergelijking bedenken

Op jouw school wordt elke maand één gerecht extra onder de aandacht gebracht in de schoolkantine.

Deze maand kies jij een gerecht.

Je schrijft een korte tekst om dit gerecht in het zonnetje te zetten. Je tekst komt op een poster of een bord in de schoolkantine.

Na het lezen moet iemand denken: Dit wil ik proberen!

Zo pak je het aan:

• Schrijf 6 tot 8 zinnen.
• Vertel wat het is.
• Gebruik woorden die laten zien waarom het goed of lekker is.
• Gebruik minstens één vergelijking (bijvoorbeeld: lekkerder dan …).

Denk steeds: Welke woorden zorgen ervoor dat iemand dit wil proberen?

Stel je voor...

Slide 7 - Tekstslide

👁️‍🗨️ Lees de eerste twee zinnen hardop voor om de situatie concreet te maken.
▶️ Benadruk daarna expliciet de rol van de leerling:
Jij kiest het gerecht. Jij bepaalt hoe je het laat klinken.

💡 Zeg hardop:
Je schrijft voor echte mensen op school.
Je tekst moet ervoor zorgen dat zij dit gerecht willen proberen.

✍️ Geef geen voorbeelden van gerechten of teksten.
Laat de keuze volledig bij de leerling.

🔍 Herinner kort aan Les 1:
Denk aan de woorden die ervoor zorgden dat jij iets wilde proberen.

Differentiatie (onzichtbaar voor leerlingen)
Route A:
Help bij het kiezen van een gerecht
Laat leerling eerst mondeling zeggen wat hij wil schrijven

Route B:
Leerling start zelfstandig
Jij checkt of het doel duidelijk is

Route C:
Vraag vooraf: Welk woord ga je gebruiken om te vergelijken?
Je gaat nu je tekst delen met je klasgenoten.

Luister naar de tekst van een klasgenoot.
Vraag jezelf af: zou ik dit gerecht willen proberen?
Vertel kort:
• ja of nee, en
• waarom. 

Gebruik woorden uit de tekst in je antwoord.

Slide 8 - Tekstslide

Doel van dit moment
• Het effect van de tekst zichtbaar maken
• Feedback richten op woordkeuze en doel, niet op smaak of fouten
• Leerlingen laten ervaren: woorden doen iets met de lezer

Basisuitvoering (klassikaal)
• Kies 2–3 teksten om te laten horen.
• Laat de schrijver voorlezen of lees zelf voor.
• Laat steeds 1–2 reacties toe, daarna door.

Sturing:
• Reageert een leerling alleen met “ja” of “nee”? → Doorvragen: Welk woord maakte dat je dit vond?
• Gaat de reactie over persoonlijke smaak? → Terugbrengen naar de tekst: Wat staat er in de tekst dat je overtuigt?

Variatie (aanrader bij tijd en ruimte)
Galerijvorm
• Hang alle teksten op in de klas.
• Leerlingen lopen rond en lezen meerdere teksten.
• Ze kiezen één tekst om op te reageren.
Daarna klassikaal:
• Welke tekst sprak je aan?
• Welk woord of welke zin werkte goed?

Deze vorm:
• verhoogt betrokkenheid,
• laat sterke teksten vanzelf boven komen,
• werkt goed bij grotere of stillere groepen.

Differentiatie (onzichtbaar)
• Route A:
leerling geeft alleen ja of nee
Route B:
leerling geeft ja/nee + reden
• Route C:
o leerling benoemt concreet een woord of vergelijking

Welke woorden heb jij gebruikt om te overtuigen?
Je kunt nu:

☐ woorden kiezen om iemand iets te laten willen,
☐ zien dat woordkeuze verschil maakt,
☐ schrijven met een duidelijk doel.

Slide 9 - Tekstslide

Doel:
• expliciet maken wat geleerd is,
• brug slaan naar volgende thema’s.
Uitvoering:
• Lees de punten hardop voor.
• Stel één afsluitende vraag:
Welke woorden helpen om iemand te overhalen?
Geen discussie. Les afronden.

bronnen:
Deze les is gemaakt door TisTaal by Dutchily. Op de vermelde bronnen na, alle rechten voorbehouden aan team Dutchily.




Slide 10 - Tekstslide

Bezoek onze website: